Robijnen Huwelijk

Brom en ik zijn morgen – 8 mei – veertig jaar getrouwd!
Veertig jaar lief en leed.
Wat is 40 jaar verschrikkelijk lang als je ervoor staat.
Maar waar is al die tijd gebleven als je er achter staat?
Weg.
Gewoon weg.

Zo in deze week van veel herdenken, gaan onze (lees ‘mijn’) gedachten terug naar de dag van toen.
En ach, wat waren we nog jong. En slank. En verliefd.
Aandoenlijk.
En de toekomst zag er helemáál zonnig uit.
Veelbelovend.
Rooskleurig.
Sprookjesachtig zelfs.

Ja…
Want we zouden het heel anders aanpakken dan onze ouders.
Beide ouderstellen waren inmiddels meer dan 25 jaar getrouwd.
Oja, ze hielden nog veel van elkaar.
Maar het spatte niet meer.
Het was zo gewoon. Zo alledaags.
Gezapig.
Dat wilden wij niet.

We gaven een heel groot feest.
Brom’s donkerblauwe Mercedes was onze trouwauto. Prachtig versierd met bloemen voorop en achterin op de hoedenplank. Witte strikjes aan de antenne…
We hadden geen chauffeur, want ik had bedacht dat het zo superromantisch zou zijn alleen met Brom in de auto te zitten.
Alleen met de man van mijn dromen.
Geen luistervink erbij.
We konden dan rijdend van de ene naar de volgende lokatie alles wat we maar wilden tegen elkaar zeggen.
(Ik kan me geen woord meer herinneren)

Overdag waren er zo’n 60 gasten en ’s avonds hadden we 300 man op de bruiloft.
Dat kon gewoon.
Dik feest.
Muziek, komische sketchjes en de polonaise.
Mijn tante zei na afloop tegen ons: “Het was een fantastisch feest. Ik hoop dat jullie huwelijk net zo geweldig mooi zal zijn. Veel echtparen steken vandaag de dag meer energie in hun huwelijksdag dan in hun huwelijk.”
Dat waren wij niet van plan.
Wij zouden blijven bruisen.

Met de Mercedes vol cadeaus, bloemen en enveloppen reden we ’s nachts naar ons ‘nieuwe’ huisje.
En een sliert nog niet uitgefeeste gasten achter ons aan.
Ik zeg ‘huisje’, niet voor de romantiek, maar het was echt een klein huisje.
Gelegen in Loozen, een gehuchtje tussen Gramsbergen en Hardenberg.
Midden op het platteland. Aan de ene kant van ons huisje stond een grote boerderij, aan de andere kant een beekje. De bekke.
Voor Brom en mij was het ook een verhuizing naar een nieuwe plek. We trouwden allebei zogezegd ‘uit ons ouderlijk huis’.

En nu is dat morgen 40 jaar geleden.
Zovéél jaren samen.
Met véél meer lief dan leed. Als ik hoor van de diepe dalen waar andere echtparen soms doorheen moeten gaan, word ik stil en dankbaar.
Wij hadden natuurlijk ook zo onze strubbelingen en schermutselingen. En ook wel eens slaande deuren. Maar dat was het dan ook wel.

De hoogtepunten in ons huwelijk waren de geboortes van onze kinderen. Nou ja, niet de geboortes op zich, dat snappen jullie. Die waren overweldigend en heftig, maar de baby die ik daarna in mijn armen kreeg, deed ons overstromen van geluk. Ze waren ook nog eens – hoe bestaat het – de allermooiste en liefste van de héle wereld!

“Zeg Brom, wat vind jij er nou van? Véértig jaar getrouwd? Wij?”
“Tja…”
“Zou je ’t weer overdoen?”
“Ik denk het wel.”
“Wat vind je nou mijn allerslechtste en allerbeste eigenschap?”
“Wat vraag je toch veel.”
“Nou zeg het eens…”
“Je slechtste is dat harde niezen van jou.”
Ik kan mijn lachen gelukkig inhouden. Ik zie hem voor me: van schrik omhoog schieten uit zijn stoel als ik nies. “Ow. Ok. En mijn beste?”
“Dat je overal een mening over hebt.”
“Echt?”
“Ja.”
(Naar mijn lijstje wordt niet gevraagd)

“Zeg Brom, weet je hoe ze dat noemen een veertigjarig huwelijk?”
“Nee.”
“Robijn!”
“Robijn?”
“Ja. Als je 12½ jaar getrouwd bent is het koper, 25 jaar noemen ze zilver en 50 is goud…”
“Is dat niet van die reclame?”
“Wat? Luister je wel?”
“Robijn?”
“Nee joh, dat is toch een soort edelsteen! Zo’n prachtige zeldzame ruwe diamant.”
“O, ik moest aan die reclame denken..”
“Welke?”
“Aan die van robijn: wat mooi is, moet mooi blijven.”
“Ach gekkerd.”

Brom heeft misschien wel gelijk. En past die wasverzachter beter bij ons dan die edelsteen.
Volgens mij bruist dat spul ook nog.
Nou ja, een beetje dan.

Aal

Gordijnen II

Blij en opgelucht kom ik thuis.
Zonder gordijnen.
“Wat wil je nou dan?” vraagt Brom.
“Even genieten van mijn geld terug en straks lekker struinen op marktplaats.”
Dat struinen valt niet mee.
Er zijn zoveel, kleuren zijn vaak moeilijk te zien, en zie ik leuke, zijn ze te klein of te kort…
“Ik ga morgen terug en haal van die kant en klare gordijnen. Die vond ik ook eigenlijk heel mooi. En niet duur.”
“Moet je doen,” zegt Brom.
De volgende dag ga ik vol goede moed opnieuw naar ‘mijn’ winkel.
Ik weet nu precies waar ik moet zijn en stap op de schappen af met kant en klare gordijnen.
Kijk nou, super mooi, precies de goeie kleur, niet duur en ik blij.
“Als je me zou willen helpen met afmeten en zo…” vraag ik Brom thuisgekomen.
Hij meet en ik leg de kolossale lappen op de tafel.
Dat past natuurlijk niet.
Lastig. Het schuift ook steeds. We gebruiken de stoelen als extra opvang. De achterkamer is één en al gordijn. En wij lopen er beiden gewapend met een meetlat om heen.
Na veel gereken, denkwerk en onenigheid komen we eruit waar ik moet knippen. Er moet uiteraard 4 cm. voor de zoom. En we hebben 3 van die lappen. Brom gaat er vanuit dat je niet kan vertrouwen dat ze allemaal precies dezelfde lengte hebben, dus gaan we 3 keer mopperen en meten.
Ik haal de strijkplank met ijzer van boven.
“Dit gaat ons lukken toch?”
“Heb je dit al eerder gedaan?”
“Nog nooit, maar volgens de winkeljuffrouw is ’t een fluitje van een cent.”
“Hm.” doet Brom.
“We kunnen dit,” zeg ik.
Brom staat op het trapje de roede te bevestigen en ik knip.
Ik lees de beschrijving van het strijktape en begin te strijken.
En te strijken en te strijken…
Ik druk steeds harder en zet het ijzer op de hoogste stand.
De ene kant plakt maar de andere niet.
Brom kijkt op me neer en vraagt: “Lukt ‘t?”
“Het plakt niet! Het zal wel een ouwe voorraad zijn waarvan de plak is opgedroogd. Heb ik weer.”
“Altijd éérst de schuld bij jezelf zoeken.”
“Wat doe ik nou fout dan? Kijk, hier staat het: plakrand tussen zoom leggen, strijken en klaar.”
Brom daalt neer en kijkt.
“Moet je niet die witte strook eraf halen?”
“Huh?”
Brom begint te trekken aan de strook en warempel daar gaatie.
“Ggggg, wat ’n idioot gedoe! Waarom zetten ze dat er niet bij? Hoe moet ik dat weten?”
“Strijk nou maar, straks droogt het op…” zegt Brom schuddekoppend.
Ik blijf er natuurlijk nog een poosje over doormekkeren.
Stom gedoe. Moeten ze er toch gewoon bijzetten!
Ik durf te beweren dat er veel meer mensen zijn die strijken met de witte strook er nog aan. Nou ja, in elk geval een aantal. Vast een heel aantal.
Echt belachelijk dat het niet op de gebruiksaanwijzing staat.
“Hou d’r nou toch over op,” zegt Brom.
“Vind jij het niet stom dan?”
“Heel stom.”

De gordijnen hangen. Ik ben dolenthousiast.
Brom ook.
Nu naar boven voor de slaapkamers.
Ook daarvoor heb ik van die strijkzoomgordijnen gekocht. En grijzige vitrage.
Maar als ik boven kom en de vitrage voor de ramen houd, begin ik te twijfelen en vraag ik Brom of hij het wel mooi vindt.
“Ja. Mooi.”
“Ik weet het niet. Misschien moet ik toch gewoon witte vitrage nemen…”
“Dan moet je het gaan ruilen.”
“Kan ik ook die dure roedes weer terug doen en koop ik vitrage die ik er op deze haakjes aan kan zetten. Scheelt een hoop gedoe.”
“Je moet het zelf weten.”
Opeens weet ik het zeker. Roedes terug. Vitrage terug.
Wat prettig als je zeker weet wat je wilt.
Ik naar beneden. Op zoek naar de bon.
Zit niet meer in de tas.
Ook niet ergens op tafel of een kastje of aanrecht.
In mijn portemonnee: nee.
O, in de auto vast nog.
Op m’n knieën door de auto.
Niet in ’t tussenvakje. Niet op dashboard. Op de grond. Achterin. Nergens.
“Waar kan die bon nou zijn?”
“In je jaszak?”
Oja, dat kan ook nog.
Nee, niet in jaszak. Of broekzak.
Naar boven. Toch misschien uit de tas gevallen?
Onder ’t bed. Nee. Op de vensterbank. Ook niet.
“Ik kan ‘m nérgens vinden.”
“Moet toch ergens zijn. Waar láát je dat dan?”
“Geen idee. Moet toch echt gewoon zomaar ergens liggen…Of heb ik ‘m dan soms weggegooid? Per ongeluk dan.”
Op de kop in de pedaalemmer.
Een heel grote en die zit bijna vol natuurlijk.
Bah, wat stinkt dat. En wat smerig.
Even handschoenen aan. Vieze prut.
Laat ik het gelijk in de container gooien.
Tot de bodem ga ik.
Geen bonnetje.
“Ga dan zonder bon. Ze geloven je vast wel.”
“Dat vind ik zó vervelend!”
“Gewoon doen. Nee heb je.”
“Bah.”
Zonder bon, maar met 4 vitrages, lange roedes en bevestigingsdopjes ga ik opnieuw naar ‘mijn winkel’.
Balen en een beetje zenuwachtig stap ik af op de winkeljuffrouw.
“Kijk, dit heb ik gekocht, en nu wil ik het graag ruilen. Maar ik ben de bon kwijt, stom natuurlijk, heel stom, alles op de kop gehad. Nergens…”
Ze haalt even hoorbaar diep adem.
“Even mijn bazin erbij halen.”
Ik wacht. Voel nogmaals in m’n zakken.
Daar komt ze. Met bazin.
“Wat is hier aan de hand?”
“Ik wil graag ruilen, maar ben het bonnetje kwijt.”
“Bonnetje kwijt?”
“Ja, dom he? Zo stom van mij. Chaoot die ik ben.”
Diepe zucht en dan richt ze zich tot de winkeljuffrouw en zegt:
“Nou, dan moet je eerst een bon maken.”
Die slaat wat aan op de kassa.
“Nee-hee. Niet dát. Dáár.”
“Sorry. O, deze bedoel je.”
“Nééhee. Laat mij maar,” en ze duwt de juffrouw aan de kant.
Vervolgens gaat zij verwoed op die kassa staan tikken en snauwt: “Zie je nou ook wat ik doe?”
“Uh uh, ja ik zie het,” zegt het meisje.
“Kijk, en dan zóóó en zóóó en dan deze knop?! Zie je ‘t?!”
“Ja,” zegt het arme kind en ze knikt met d’r hoofd.
Ik probeer ondertussen nonchalant te doen en doe ook net of de hele conversatie aan mij voorbijgaat. Ik besef maar al te goed dat ik de reden ben van deze schermutseling.
Ik wil eigenlijk opnieuw iets stamelen van ‘och, och wat een domme tut ben ik ook he?’ maar als ik die kop en de frustratie van de bazin observeer, ben ik bang dat als ik iets zeg, wat het ook is, ik ook een dikke lik uit de pan krijg.
En het lijkt er heel erg op dat ik mijn geld terugkrijg, dus laat ik dat niet op het spel zetten en me rustig houden.

Na wel heel lange 10 minuten is het geruil gelukt.
Ik heb m’n geld weer en de bazin pakt zonder iets te zeggen de lange roedes, de knopjes en de vitrages.
“Dank u wel,” zeg ik en maak dat ik bovenkom.
Op zoek naar andere vitrage.
Ik zoek. Ik kijk. En vergelijk.
En begin steeds meer in te zien dat ik eigenlijk een heel goede keus had gemaakt.
Het waren kant en klare. Ik hoefde alleen maar een zoom erin te strijken…
Als ik nou iets van de rol koop, moet ik aan ’t naaien. En dat kan ik eigenlijk helemaal niet. Ik heb niet eens een naaimachine…
Ik voel me nu ik het schrijf weer net zo ongeloof’lijk onnozel als ik me daar toen voelde.
Want ik kom tot de conclusie dat de vitrage die ik net ruilde de perfecte vitrage was.
Die wil ik gewoon weer terug.
Maar ik durf echt niet naar beneden en te zeggen: “Hier is die domme tut weer. Ik heb me bedacht. Ik wil het toch graag allemaal weer mee…”
Hoe ga ik dat aanpakken?
Ik pak de 4 vitrages uit het rek. En stop ze in mijn mandje.
Dezelfde.
Exact dezelfde.
De roedes?
Nee, dat durf ik niet. Die passen niet in het mandje.
En ik ga beslist die trap niet af met die lange roedes in mijn hand.
Voor geen goud.
Beneden sluit ik me aan bij de kassa met een heel nieuwe juffrouw. M’n hart bonkend in m’n keel.
Gauw afrekenen en weg.
Ik voel me net een crimineel.

“Gelukt?” vraagt Brom.
“Ja.”
“Mooi.”
“Wil je me helpen met het ophangen?”
“Tuurlijk.”
“Heb jij nog iets in de schuur liggen waaraan ik deze vitrage kan op hangen?”
“Huh? Heb je geen roedes?”
“Nee…”

Ik sla het gehannes en gezeur over.
De vitrage hangt.
Aan oude verwarmingsbuizen.

Aal

In de gordijnen

Och jongens toch, ik durf het bijna niet te schrijven.
Maar het is m’n enige inspiratie deze keer.
Dus het is niet anders.
Wel beschamend.
Want soms is het gewoon heel gênant mij te zijn.

Ik zit helemaal in de gordijnen. Al een week.
Het is hoog tijd voor nieuwe gordijnen in de achterkamer.
Wat er nu hangt, kan echt niet meer.
Ze hangen voor het raam – nogal logisch – en de tuindeur.
Al vijfentwintig jaar.
Ze zijn verstaft of hoe zeg je dat.
Een frisse wasbeurt gaan ze niet overleven.
Er zitten scheuren in en als je een beetje trekt, komen er nog meer scheuren in.
Zelfs Brom vindt het niet meer kunnen.
Braggel, zegt hij.
Een goed moment om nieuwe te kopen.
Daar ga ik dan. Brom gaat niet mee.
Eigenlijk is dat ook niks als’tie meegaat.
Ik zie het voor me.
Hij gaat om me heen lopen zuchten, terwijl ik door de rekken ga.
Als ’t tegenzit ook nog trommelen met z’n vingers.
Vanwege die zichtbaar demonstrerende weerzin van hem, kan ik niet meer goed nadenken.
Al helemaal geen goede keuze maken.
Gaat-ie ook altijd nog vragen of ik nou al weet wat ik wil.
Of in elk geval of ik wil opschieten.
Ja, hij vindt het mooi. Ja, en die is ook mooi.
Ze zijn allebei mooi.
Eigenlijk zijn ze allemáál mooi.
Kies er gewoon één.
Wat maakt het nou uit wat er komt te hangen?
Doe niet zo moeilijk, Aal.
Maak er niet zo’n probleem van.
Als er maar iets hangt.
Alles beter dan wat er nu hangt.
Kan niet missen.
Pak de goedkoopste.
En als die je niet aanstaat, pak je die dure.
Voor mijn part de allerduurste.
Als we hier maar weg kunnen.

Ik ga dus alleen. Naar zo’n winkel waar ze van alles te koop hebben.
Bankstellen, bedden, tafels, lampen, kortom teveel om op te noemen.
Voor gordijnen moet ik naar de 1e verdieping.
Ondertussen heb ik ook nog besloten dat ik voor de slaapkamer nieuwe gordijnen wil. Dat hangt ook al jaren. Eigenlijk net zo lang als die in de achterkamer. Het is niet eens een gordijn, maar een dekbedovertrek. Het streepje paste precies bij het interieur. Nu wil ik wat anders. Hipper. Eigentijdser.
Ik pak mijn briefje met de afmetingen en begin enthousiast tussen de stalen te neuzen. Wat hebben ze veel. Ik kijk en zoek.
Gelukkig weet ik ongeveer wat ik hebben wil. Het moet iets van een zandkleur worden. Kan ik heerlijk heel veel overslaan.
Laat ik toch maar de verkoopster erbij halen, want ik heb wel de maten, maar er moet zo’n formule op losgelaten worden, van 1½ of 2 keer:
Altijd lastig, dat rekenen.
Ze helpt me geweldig en vindt mijn uitgekozen gordijnen ook mooi. Ze slaat aan ’t berekenen en komt op een bedrag van 312 euro.
Ik schrik.
“Best veel,” zeg ik.
“Maar dan zijn ze helemaal klaar, hè? Hoef je zelf niks te doen.”
Is ook zo, denk ik.
“Toe maar dan,” zeg ik.
Ik moet de bon ondertekenen en vooruit betalen.
Laat ik dan maar bezuinigen op de slaapkamergordijnen.
Dus kijk ik bij de niet eerder ontdekte kant-, en klaargordijnen.
Zitten ook best leuke tussen. Erg leuke zelfs. En helemaal niet duur.
“Hoe werkt dat met zo’n strijkband?” vraag ik.
“Héél eenvoudig. Je legt die strijkband tussen het omgevouwen gordijn en hup, strijkijzer erover en klaar is Kees.”
“Klinkt alsof ik het ook kan.”
“Tuurlijk kan je dat.”
“En bovenin zitten oogjes, ik heb nu haakjes, moet ik zeker ook zo’n stok hebben.”
“Ja, maar die verkopen we ook wel.”
“Doe me de goedkoopste maar dan.”
“Dat zou ik niet doen, die gordijnen zijn te zwaar voor de dunne.”
“Dat zal wel weer ja.”
“Kijk deze, 13 euro per stuk. Je moet er 3 hebben en dit 6x erbij voor het bevestigen. Die zijn maar 4 euro per stuk.”
“Tja. Het moet toch geld kosten vandaag.”
Onderweg naar huis denk ik na over mijn bestelde gordijnen. Toch niet slim van mij om ze op 2 verschillende hoogtes te laten maken, zoals we dat hadden met die oude gordijnen. Voor het raam zat een kortere dan voor de deur. Nee, nou moet ik het goed doen. Alles in dezelfde lengte. Want wie weet gaan we ooit dat bureau nog eens verslepen en dan is ’t echt geen kijk…
Op de rotonde draai ik een ronde.
“Sorry mevrouw, ik zou graag nog iets willen veranderen aan de bestelling. Kan dat nog?”
“Ja, dat kan nog. Zeg het maar.”
Komt er 68 euro bij.
Oeps. Maar ja, wordt het wel heel mooi.
Zegt ook de winkeljuffrouw.

Ik kom thuis met vitrages, overgordijnen, roedes en een afhaalbon voor de achterkamergordijnen.
“Tevreden?” vraagt Brom.
“Super tevreden. Maar tjonge jonge zeg, de prijzen zijn in 25 jaar nogal gestegen. Vooral als je het optelt.”
“Als je er maar blij mee bent. En we hoeven in 25 jaar niet weer, toch?”
“Dunkt mij ook niet. Dan zijn we 90… Maar Brom, alleen voor deze kamer meer dan 300 piek en het duurt ook nog es 6 weken voor ze klaar zijn.”
“Hebben we niet nog een leuk dekbedovertrek?”
Pats, die kwam binnen en ja hoor, daar sloeg de twijfel toe.
Wat deed ik toch?
Eigenlijk had ik ook de veel goedkopere kant en klare gordijnen kunnen doen. Of op marktplaats gaan kijken. Een waanzinnige hoeveelheid keus. En veel en veel goedkoper, zie ik. En direkt op te hangen.
Och. Wat dom van mij.
Had ik toch èèrst moeten doen.
Ik krijg met snel stijgende lijn enorme spijt van mijn gordijnenbestelling.
“Zou ik het nog kunnen afzeggen?”
“Hoe kan ik dat weten? Moet je ze bellen.”
“Bah.”
Op internet is er alleen een overkoepelend landelijk nummer te vinden.
Na 20 minuten in de wacht, kan ik mijn verhaal kwijt.
Ze weet niet of ik nog kan annuleren, maar gaat me doorverbinden met ‘mijn’ filiaal.
Weer in de wacht…
Ondertussen krabbel ik rondjes op een papier en schrijf 100 x ‘ik zou heel graag de bestelling willen annuleren’.
Dan plots is er een juffrouw aan de telefoon en weet ik niet meer wat ik wou zeggen. Ik herstel me – sorry hoor – en lees mijn opgeschreven zin voor. Ik moet naar de zaak komen. Voor half 6. En opnieuw een papier tekenen.
Het is 10 over 5. Ik haal het nèt.
Weer sorry, sorry hoor. Lastige klant ben ik toch, hè.
Valt mee, zegt ze.
Ik krijg m’n geld terug en een vervangende bon waarop de rest van mijn gordijnen, vitrages en roedes staan.
Blij en opgelucht verlaat ik het pand.

Tot zover.
Ik bleef niet blij.
Dat vertel ik in mijn volgende blog.
Hoe ik zelfs Brom in de gordijnen kreeg…

Aal

Lentekriebels

Dat ik geen poetsende huisvrouw ben heb ik nu al vaak genoeg gezegd.  Ik rommel maar wat aan. Toch begint er gek genoeg zo in ’t voorjaar iets te kriebelen. Ik weet nooit goed wat ik daarmee mee moet. Dus laat ik het maar voor wat het is.

We leerden vroeger over de 3 R’s: rust, reinheid, regelmaat. Misschien worden ze nog steeds geleerd, maar ik hoor er niet zoveel meer over. Kan aan mij liggen. Die 3 R’s waren belangrijk. In ’t huishouden, bij baby’s, kinderen, scholen, etc.

Het was een tijd van ritme en regels.

Maandag wasdag. Dinsdag: strijkdag. Woensdag gehaktdag. Donderdag schoonmaakdag. Vrijdag visdag. En zaterdag was de dag dat je de boel om het huis op orde maakte: stoep vegen, grint aanharken en de buitenkant van de ramen wassen. Zondag rustdag. Duidelijk en helder. Volgens mij deed ook iedereen daaraan mee.

Eens per jaar had je de grote schoonmaak. Dat heette niet voor niks ‘groot’. Het was een gigantische gebeuren. Alles, maar dan ook alles werd schoongemaakt. Het huis helemaal op de kop. En alle huisraad naar buiten. De stoelen, tafels, bedden, kasten. Daar werd het grondig gesopt. Dan had je binnenshuis alle ruimte om de boel schoon te maken. Vaak kwam er dan ook een nieuw, fris behangetje in de kamer of keuken. ’s Avonds ging al het meubilair weer schoon en proper naar binnen.

Ik had een hekel aan de schoonmaak. Ons huis kaal, leeg en ongezellig. En mama in de stress. Dat noemde je toen nog niet zo, maar ze liep druk zwetend heen en weer met mattenkloppers, dweilen, koperpoets en groene zeep. Ik liep altijd in de weg en kon nergens zitten. In mijn geheugen duurde het ook zeker een week. Bij mijn vriendinnetje kon ik ook niet terecht, want die moeder was nog veel erger: haar dochtertjes moesten helpen met de schoonmaak. Geen wonder eigenlijk, denk ik nu, dat ik een afkeer ontwikkelde aangaande schoonmaakwoede.

Bij ons in de wasserij kwam in die jaren sinds kort Petri haar was doen. Ze was met man en dochtertjes vanuit het westen naar Hardenberg komen wonen. Een ongelooflijk leuk, mooi en spontaan mens. Het was altijd gezellig in de zaak als zij er was. Ze had prachtige verhalen en een heerlijk relativeringsvermogen. Ze was gewoon echt anders. Haar mooie, blonde dochtertjes heetten Marlies en Maureen. (Ook anders dan onze Hennies en Annies)
Nee, ze was geen Hardenbergse, en vroeg zich af, wat al dat gedoe met die meubels in de tuinen te betekenen had. Mama, nogal verbaasd, vertelde haar dat dat de jaarlijkse grote voorjaarsschoonmaak was. Alles naar buiten, je huis helemaal schoonmaken en dan het meubilair weer naar binnen. Dat méén je toch niet! riep ze lachend. Daar doe ik niet aan mee, hoor!
Ze zullen je een smeerpoets vinden, zei mama.

Een paar dagen later stond bij Petri de boel buiten. Ze heeft eieren voor haar geld gekozen, zei mama. Ze zal ook wel moeten. Iedereen hier let op je. En wat zeg je als iemand je vraagt: ‘heb jij de schoonmaak al gedaan?’

Daar kwam Petri weer met haar was.
“Ik heb een gewéldige week gehad!” riep ze bij binnenkomst enthousiast.
Mama keek haar vragend aan. Zo leuk was de schoonmaak ook weer niet.

“Ik heb werkelijk genoten,” vervolgde ze haar verhaal. “Ik heb alles buitengezet, zoals je zei. Een gesleep van jewelste, maar mijn man heeft geholpen. Natuurlijk niet écht alles naar buiten; ik heb één lekkere luie stoel binnen laten staan. En in die stoel heb ik me fantastisch vermaakt. Lekker een stapeltje Libelles gepakt en de hele dag heerlijk zitten lezen en leuteren. Niemand stoorde mij, ze konden wel aan de meubels in de tuin zien, dat ik druk was!”
“Dat méén je niet,” stamelde mama.
“Jazeker wel!” zei Petri, “en ’s avonds heeft mijn man weer heel lief samen met mij alles naar binnen gesleept.”
“Echt?”
“Ja, geweldig niet? Enne…volgend jaar doe ik weer mee!”
“Mensen uit ’t westen zijn ook echt anders,” schudkopte mama.
Ik vond haar nu nóg bizonderder.
“Maar jullie houden wel allemaal je mond, hè?” vroeg ze gniffelend rondkijkend.
Dat beloofden we uiteraard plechtig.
Tot nu toe dan.
Ik heb zo ’t idee dat die belofte verjaard is.
Evenals de grote schoonmaak.
Ik denk dat Nederland tegenwoordig vol zit met Petri’s. Ik kan ’t mis hebben en laat ik het ook maar bij mezelf houden; ik doe niet meer mee.
Petri en gezin zijn allang weer uit Hardenberg vertrokken. Maar ze heeft wel iets nagelaten. Maling aan de schoonmaak! Volgens mij wonen ze nu in Aalsmeer. Haha.

Aal

Die éne sok

Begrijpen doe ik het ook niet.
Waar zit toch het probleem met die éne sok?
Heerlijk ontspannen ben ik nietsvermoedend mijn wasje fluitend aan het vouwen en dan opeens aan het eind houd ik één sok over.
Huh?
Dat kan toch niet.
Ik kijk rond.
Gevallen?
Nee.
Terug naar de droger.
Nee.
De wasmachine. Even ronddraaien en graaien.
Nee.
Nog in de wasmand?
Ook niet.
Dan maar even boven kijken. Ligt natuurlijk onder het bed, in een schoen of zomaar ergens op de grond.
Niet dus. Nergens.
Dat kijken onder ’t bed gaat ook niet meer zoals voorheen. Eerst buig ik mij heel diep, dan moet ik me vastgrijpen om niet voorover te duikelen en besluit dan – noodgedwongen – plat op de vloer te gaan liggen.
Daarna weer omhoog. Ook heel anders dan vroeger.
Teleurgesteld ook nog: geen sok.
Ik snap er niks van.
Toen de kinderen nog allemaal thuis woonden was het probleem er ook al. Maar ja, dan kun je het begrijpen. Logisch. Chaos alom.
Dat ze sowieso gezond uit hun kamers tevoorschijn kwamen was al een onverklaarbare gebeurtenis. Over passende sokken maar te zwijgen.
Ik had een mand op de overloop gezet met de eenlingsokken. Die raakte alleen maar voller. Ik kan me ook niet heugen ooit een teruggevonden verdwenen sok weer herenigd te hebben met een sok uit die mand.
Dus kocht ik maar es weer zo’n pakket sokken. Met vijf stuks tegelijk. Allemaal zwart. Dat zou het probleem vereenvoudigen. Maar die vijf nieuwe paren hadden allemaal een net ander wit kriebeltje aan de zijkant dan de vorige bundel die ik kocht.
Hield ik dus drie sokken over met verschillende kriebeltjes.
Gek genoeg verdwenen ook de felgekleurde, de gestippelde en zij met een fraai motiefje. Nooit tegelijk, altijd zoals gebruikelijk één voor één.
Ik besefte bij het aanschouwen van die volle mand op de overloop dat er van overal in ons huis nog zo’n mand te vullen moest zijn met de verdwenen exemplaren.
Onbegrijpelijk.
Niemand komt toch thuis met nog maar één sok aan.
Hoogstwaarschijnlijk verdwijnen er ook broeken en shirts, maar hebben we ’t niet door omdat er geen twee van zijn.

Op de verjaardag van mijn nichtje deze week kregen wij ’t erover.
Tot mijn verbazing kenden ze bijna allemaal het sokkenverschijnsel. En daar zitten heel gerenommeerde huisvrouwen bij. Echte Mientjes Dobbelstenen.
Uiteraard was er ook een vrouw bij, die daar nooit last van had.
Ze schudde haar wijze sokkenhoofd en keek ons ’n beetje meewarig aan.
Welnee. Geen verdwaalde of verdwenen sokken bij haar thuis. Kinderen ook goed geinstrueerd: altijd twéé sokken in de wasmand! Netjes in elkaar gevouwen. Dan heb je daar nóóit problemen mee. Eigenlijk Heel Simpel.
Opeens kreeg ik de moed mijn verhaal over een teruggevonden sok te vertellen.
Lang geleden.
Brom en ik waren nog maar net getrouwd.
Alles nieuw, alles mooi en een prachtig nieuwe wasmachine van mijn schoonouders gekregen.
Ik ging de was doen en net toen ik de machine had aangezet, zag ik in de hoek nog een sok van Brom liggen.
Ach! Die had erbij gemoeten!
Ik pakte de sok en stond er een beetje verloren mee in mijn handen.
Het deurtje van de machine wilde niet meer open.
Ik trok aan het zeepbakje en… ach natuurlijk!
Krijg ik een ongeloof’lijke brainwave: door het zeepbakje!
Immers het water en de zeep komen ook in de machine terecht!
Mijn intelligentie wil wel es met me aan de loop gaan.
Maar ik sta versteld van mezelf.
Het was even proppen met die sok, maar met beide wijsvingers duw ik als een dolle de sok door de nauwe spleet.
Zo.
Een paar weken later gaat de machine gek doen.
We hebben toch zeker nog garantie? vraag ik Brom.
Wat is er mis dan?
Geen idee, hij maakt kabaal en draait niet goed.
Ik kijk wel even.
Een dik uur later komt Brom beduusd beneden en zegt: het kan eigenlijk niet, maar raad jij eens wat ik vond áchter de trommel?
Geen idee, zeg ik.
Een sok!
Een sok?!
Ja, een sok!
Hoe kan dat nou?
Ik snap het ook niet, zegt hij en schudt zijn hoofd.
Ooooo, wacht es, een sók? Achter de trómmel? Ik ben stomverbaasd.
Wat? zegt Brom.
Nou een paar weken geleden deed ik een sok door het zeepbakje…
Dat méén je niet?! Dus jij deed dat?!
Ja, er lag nog een sok en toen bedacht ik in al mijn wijsheid die door het zeepbakje te doen! zeg ik trots.
Dat verzin je toch niet!
Ja Brom, echt zelf bedacht!
Maar súfferd, dat komt toch niet in de machine!
Het water en zeep dan?
Aál, ben je nou zo dom of doe je zo dom?
Hoezo dom?
Er zitten gaatjes in de trommel waardoor het water en de zeep kan! Maar geen sokken!
Och ja…!
Ach ja, soms breekt mijn intelligentie mij op.

de Zolder

Ik zit op zolder.
Al dagen.
Een heel eenzame toestand.
Alleen voor eten en slapen daal ik af.
Ik krijg niks mee van wat er in de wereld gebeurd.
Ik hoor niks en ik zie niks.
’n Slechte plek voor nieuwsgierige mensen.
Er is wel een klein raampje schuin in het dak; als ik iets wil zien, moet ik er pal voor gaan staan en eerlijk gezegd zie ik dan nog bijna niks, nou ja een half stukje van onze tuin dan, maar-daar-gebeurt-ook-niet-echt-iets.

Eindelijk was ik zover dat ik besloot dat de boel op zolder eens aangepakt moest worden.
Nou ja, het besluit lag er al járen, maar de daadkracht ontbrak.
Het was gewoon wachten op de juiste prikkel om de heldhaftige tocht naar boven te maken.
Een klus die ik maar bleef uitstellen.
Op zolder komt niemand. En op zolder woont niemand.
Dat kan ook niet.

Maar zo met de feestdagen in t verschiet, leek het mij de juiste tijd toe te slaan.
Onder het mom ‘de kerstboom moet ook weer van zolder en ik ben er dan toch, waarom dan niet even flink de handen uit de mouwen’ …
Ik ben écht geen huisvrouw ofwel geen echte, maar dat je van boven naar beneden moet werken, is ergens bij me blijven hangen.
Ik nam twee weken vrij van mijn werk en zag het helemaal voor me.
Van boven naar beneden.
Aan het eind van die weken zag ik me voldaan (vast wel moe, maar ach peanuts bij dat heerlijke opgeruimde gevoel) beneden de waskamer aanvegen.
Veeg veeg. Klaar klaar.
Als sluitstuk. De finale.
De kerstboom en de lichtjes aan. Muziekje erbij en het feest kan beginnen.

Je hoeft echt geen medelijden met mij te krijgen, maar m’n vrije weken zijn voorbij en ik zit nog steeds op die uitzichtsloze zolder…
Ik heb me schromelijk vergist in de omvang van de klus.
Een bar slechte inschatting.

Brom zag het wel zitten mij te helpen.
Onder het motto ‘Alles kan weg’.
“Ik bestel een container, maak een glijplank door het raampje en je schuift de boel zo naar buiten de container in…”
Met deze woorden maakte hij zich in één klap ongeschikt. Kan ook zijn dat dat nou juist zijn bedoeling was. Dat weet ik niet. Daarover hebben we ’t verder niet gehad.
Wel hebben we de afspraak gemaakt dat hij mij niet opgeeft voor het t.v. programma ‘De bezem door je huis’ of iets van die strekking en ik hem niet voor ‘Help, mijn man is klusser’. Een goeie afspraak. Veilig.

Er is geen doorkomen aan.
Op die zolder.
Er is zoveel. Zo ontzettend veel.
En het is ook nog zo’n gróte zolder.
Volgens mij 15 meter lang (bij navraag 12) en overal schuine kanten, met deurtjes ervoor. Het staat barstensvol dozen gepakt, op, over, onder en naast elkaar. Afijn, een eindeloze massa dozen.

Niet dat ik iets spaar of zo.
Maar ik gooi niks weg.
En dan heb je na pakweg 60 jaar echt bulten bende.
Geloof me maar.
Een enorm kolossale verzameling van alles wat.

Krantenknipsels, o de wéreld aan krantenknipsels, (oudste knipsel uit 1964) plakboeken, schoolschriftjes, souvenirs, filmrolletjes, geboortekaartjes van mijn broers en zussen, van onze kinderen en van alles wat ons gestuurd werd, autootjes met en zonder wielen, dia’s, schoolkrantjes, feestgidsen, rapporten, stapel libelles oudste uit 1973, brieven, foto’s, getuigschriften, houten blokken, poppen met afgeknipte haren of zonder been of arm, ansichtkaarten, babyboeken, kindertekeningen, dagboeken en o wat schreef ik veel, echte dagboeken, maar ook schriften en multomappen vol, en wat een narigheid vroeger, met ellendepieken in de puberteit; ik krijg allemaal vlekken in m’n nek bij ’t overlezen, oude schoolagenda’s en waarom zeg ik nu opeens ‘oud’ alles is oud wat daar ligt, en och kijk nou: een spaarbankboekje van 63 jaar geleden, elk bedrag keurig netjes met een hand bijgeschreven (steeds een andere handschrift), ook de rente elk jaar, d.w.z. eind oktober, want dat was de spaarweek, dan stond heel klein Hardenberg met z’n spaarpot bij de bank in lange, lange rijen, want juist in die spaarweek kreeg je een cadeautje van de bank, ik geloof iets van een pen of zo en als je eindelijk aan de beurt was, ging de juffrouw van de bank met haar sleuteltje jouw spaarpot openmaken en vervolgens, o wonder en geweld: ze schudde de spaarpot leeg boven een machine die de inhoud ging tellen! alleen het muntgeld trouwens, maar briefjes zaten er bij ons niet in, wij keken onze ogen uit en onze monden vielen open vanwege die telmachine, wat een ontwikkeling, we konden amper geloven dat zoiets bestond, het kon toch bijna niet waar zijn, maar het was wel waar en uiteindelijk na 17 jaar had ik er 157,22 gulden op staan, maar nu staat er een ‘ongeldig’ stempel doorheen. Op elke bladzij. Zelfs voorop. Ook het doorgekraste telefoonnummer van de Boerenleenbank: 34. Dat werd 613. Ik zal ze es bellen, misschien is zo’n boekje nu heel wat waard.
Dat zou mooi zijn.
Want van de rest verwacht ik niet dat het iets oplevert.
En als ik met alles zo lang bezig ben, als met dat mijmeren met zo’n waardeloos spaarboekje in m’n hand, snap je wel dat het niet zo vlot met die zolder…

Ik wil de boel zo graag ordenen. Alles netjes bij elkaar.
Natuurlijk wel gewoon bewaren, maar dan weten waar het ligt.
En dat schiet een héél klein beetje op.
Ik heb inmiddels 19 stapels met uiteenlopende onderwerpen.
Eentje daarvan is kinderbriefjes…
Met hanepoten schreef Sjors: Liefe Sinteklaas, wilt u de vogende keer de deur dicht doen want onse hont (zo’n grote Berner sennen hadden we toen) heeft al onse pepenoten opgevreeten.
Of Sjoerd, ook aan Sint: Dit is een heel grapig boek U mag hem wel lesen maar wel weer trug brenge hoor!
Of Door aan de brandweercommandant: Ik hoorde dat papa geen vrij heeft op mijn verjaardag ik moes daar van huilen kunt u stiekum hem vrij geven???
Waarop Brom bij de commandant moest komen. Die hem vroeg wat hij moest met dat briefje. Dat hij helemaal niet ging over vrije dagen en zo. En waarom zo’n kind aan hem een briefje schreef…
Maar Brom wist niks van het briefje.
In gedachten zie ik ze zitten. Op het kantoor van de brandweercommandant.
Twee grote, stoere kerels met indrukwekkende pakken, strepen en sterren op de mouwen en de commandant met zo’n kneuterig gek kinderbriefje onhandig in zijn handen, elkaar ongemakkelijk vragend aankijkend, want geen van beide weten wat ze ermee moeten.
Mensenlevens redden dát doen ze.
24 uur per dag.
Bij een grote brand of een vreselijk ongeluk komen ze onmiddellijk in actie.
Zodra de toeter gaat, laten ze alles vallen en stormen op de klaarstaande auto’s af en rijden met grote spoed naar het onheil.
Helden zijn het.
Maar zo’n briefje…
Brom kreeg vrij.
Echte helden dus.

Aal

Gekte!

Complete gekte hier.
Er is niemand die nog normaal functioneert.
Zelfs Brom niet.
Ik was bezig met een totaal ander verhaal, maar kan me daarop helemaal niet meer concentreren…
En dat komt door de uitzending op t.v. van Sjors, inmiddels beter bekend als Gert-Jan.
Na lang wachten was daar èindelijk de uitzending.
En jawel hoor, 5 december.
Kan-dat-nou-even-niet-op-een-andere-avond, dacht ik bij mezelf, want daar ging onze Sinterklaasavond.
“Kunnen we dat sinterklaasgedoe er niet gewoon achteraan vieren?” vroeg Brom.
We staarden hem allemaal aan alsof we water zagen branden.
“Tuurlijk niet!”
“Wat denk je zelf?”
“Ben je gek?”
“Sorry hoor. Ik vroeg maar wat,” mompelde Brom.
Ik begreep zijn voorstel wel.
Alle tumult op één avond.
“Maar twéé mooie avonden is toch altijd nog leuker dan één,” zei ik.
“Wat je zegt,” zei Brom. “Twéé heerlijke avondjes…”

Het huis stroomt vol.
Al vroeg.
Want de uitzending begint om 5 vóór half acht.
“Groot kans dat ik er geen woord van versta,” moppert Brom, om zich heen kijkend naar de menigte kinders en kleinkinders.
“Maar iedereen wil graag ome Sjors zien. Gezéllig toch zo met ons allen,” fluister ik hem toe.
“Jaja.”
Iedereen zoekt een plek.
“En lieve kindertjes… stil zijn hè, we willen álles horen!” roep ik.
“Wie niet stil is, gaat de kamer uit!”
Dan begint de uitzending.
“Stíl jongens!”
We houden onze adem in.
O. Kijk nou! Daar is’tie!
Helemaal écht levensgroot op de televisie!!
We bulderen van het lachen. En de kinderen wijzen en roepen: “Ome Gert-Jan!”
“Ssssstt!”
De eerste woorden van Gert-Jan zijn al verloren gegaan.
“We kijken vanavond later samen nog een keer,” knik ik zachtjes naar Brom.

Dan komt zijn date aanlopen…
O, Gert-Jan! zeggen we.
Sssst. Stil nou.
We weten dat het niks is geworden, maar we zijn zó benieuwd naar het gesprek aan tafel.
Dat gaat goed. Tenminste, er vallen geen stiltes. En dat is best knap, want ze zijn twee heel verschillende types.
Zij wil waarschijnlijk wat niveau aanbrengen in het gesprek als zij hem vraagt wat hij het mooist vond in Barcelona.
Het stadion, zegt hij.
En in Newcastle?
Oók het stadion.
Onze voetbalgek.
Hij is wel zichzelf.

Van het terugkijken samen met Brom is niks terecht gekomen.
Want na de uitzending barst de commotie los.
Een heksenketel.
Er komen talloze appjes en telefoontjes.
Zelfs van mensen die we járen niet hebben gesproken.
Je gelooft het bijna niet wat zo’n uitzending teweeg brengt.
Gert-Jan krijgt het één na het andere vriendschapsverzoek.
First Dates plaatst een filmpje van zijn date op hun facebooksite (first dates nl) en daar komen de reacties…
En die blijven maar binnenstromen.
We lezen elkaar de grappigste opmerkingen voor.
En we hebben de grootste lol.
Wat kunnen mensen toch ontzettend vermakelijke opmerkingen plaatsen.
We krijgen tranen van het lachen.
Het filmpje werd inmiddels al meer dan 227.000 keer bekeken.
Wij vinden dat heel veel.

“En mam…ik heb een verrassing voor je!” zegt Gert-Jan.
“Jij? Voor míj?”
“Ja, ik heb je verhaal van ‘First dates’ opgestuurd en ik krijg nu net een berichtje dat ze het gaan plaatsen op hun site!”
“Dat méén je niet!”
Ik dans door de kamer.
“Wat gewéldig!” roep ik.
Ik groei ervan. Mijn verhaal op First Dates!
“Krijg jij natuurlijk ook reacties!”
“Já! O, wat gááf! Fantastisch!”
Ik dans nog steeds.
Een bereik van 41.000!
Wouw!
Daar zijn de eerste reacties al.
Ik kan ze van opwinding helemaal niet lezen.
“Toe, lees es voor!”

“Die moeder…en dan gek vinden dat haar zoon nog single is…”
“Arme jongen met zo’n moeder..”
“Misschien iets te opdringerige moeder!”
“Daar word je toch bang van, van zo’n bemoeizuchtige schoonmoeder!”

“Stop maar,” zeg ik, “ik kan ze inmiddels zelf wel lezen.”
Ik kom weer een beetje tot mezelf.
Het dansen en de opwinding voorbij.
“Ach, déze is nog leuk,” roept Gert-Jan.
“Welke?”
“Wat een zeikmoeder…!”

Aal.

Weer oma

Midden in de nacht gaat de telefoon.
Ik ben in diepe slaap.
Op de een of andere wijze ontstaat er dan zo’n zwak sluimerende toestand waarbij ik slechts vaag het kabaal waarneem, maar nog niet nadenk, behalve ‘kan dit onmiddellijk ophouden.’

Dan zomaar opeens komt het besef dat het de telefoon is en heb ik ’t idee dattie al de hele nacht staat te rammelen.
Dan word ik echt wakker.
Kwart over twéé.
O, Ana natuurlijk!
Ik zal daar gaan oppassen als ze naar het ziekenhuis moet om te bevallen!
Och, die stakker, denk ik, want weeën krijgen me nog altijd aan het sidderen.
“Ha lieverd,” fluister ik.
“Haai mam”, fluistert ze terug, “het is begonnen hoor.”
“O, écht?” vraag ik zachtjes en onnozel, alsof ze me vaker midden in de nacht voor de gek zit te houden.
“Kom je?”
“Ik kom eraan.”

“Wawwasdat?” bromt Brom.
“Dat was Ana, de weeën zijn begonnen.”
“Midden in de nacht?!”
“Ja Brom, midden in de nacht! Dat kan toch gewoon? Dat is bij mij…”
“Asjebliéft!” kermt Brom en duikt nog dieper onder de dekens.
“Géén bevallingen. Ik wil slapen.”

Ik schiet in mijn kleren en stap in de auto.
Het is een snert-eindje, maar zo midden in de nacht en met zoveel haast pak ik zonder wroeging de auto.
Niet dat ik daar wel eens over wroeg, maar nu helemaal niet.

Ze staan al in de hal met een tas. We begroetten elkaar fluisterend. Ana zegt dat ik wel in hun bed verder mag slapen. Dat is schoon. Dan komt er een wee. Oef, ik voel ‘m ook. Bah. Ik weet dan ook nooit goed wat ik moet zeggen. Je zegt zo gauw iets verkeerds. Zeker midden in zo’n wee, dan is alles fout.
“Ga maar gauw,” zeg ik.
Na de wee.

Natuurlijk ga ik niet weer naar bed. Dat zou toch echt als verraad voelen.
Mijn kind in snerpende weeen en ik lekker ontspannen liggen.
Nee, ik doe geen oog meer dicht.
Koppen koffie, spanning, ijsberen…
Het heeft wèl wat, moet ik zeggen, dat nachtelijke.
Alles in rust. (Behalve Ana, denk ik)
Het oppassen is zo ook een fluitje van een cent.
Alle kinderen nog heerlijk aan ’t slapen.
Geen lawaai, eten, plassen, drinken of ruzies beslechten.

Ik kijk naar de klok.
Bijna half 4…
Wacht op berichtjes…
Pak mijn meegebrachte boek en lees de eerste bladzij wel 5 keer en heb dan nog steeds geen idee waar ’t over gaat.
Ik leg ‘m weg en kijk weer naar buiten.
Dan weer naar de klok.
Tjonge zeg, dat schiet ook al niet op.

Ik zie langzaamaan de stad ontwaken.
Her en der gaan lichtjes branden en het verkeer komt op gang. Wat wonen ze hier toch fantastisch in dit bovenhuis aan een heel drukke straat.
Prachtig.
Er is zóveel te zien.
Dat is nog es wat anders dan bij ons in het laatste huis aan een doodlopende straat…
Ik schuif de schommelstoel voor ’t raam en pak nog een verse bak koffie en betrap me dan erop dat ik bijna aan ’t genieten ben.
Ik schrik ervan. Want dat voelt wel echt heel vals.
Ach, die arme Ana toch. En het wordt alleen maar gekker natuurlijk met die weeën. Bah.
Hoe zou ’t zijn?
En hoe vér zou ze zijn?
Eigenlijk wel heel bijzonder, denk ik, dat je midden in de nacht zit te wachten op een berichtje met een aantal centimeters…

Ik schommel maar weer door.
En pak mijn boek.

Dan hoor ik de voordeur.
Daar komt dochter Dora binnen. Ik kijk verrast op.
“Hé, wat leuk zeg! Goeiemorgen!” fluister ik.
“Goeie morgen mam!” fluistert ze terug. “Ja, ik dacht, mama zit daar maar alleen en ik kon ook niet meer slapen na de berichtjes in onze app dat ze begonnen was. Al iets gehoord trouwens?”
“Nee.”
“Dan gaan we even appen hoor. We willen toch wel weten hoe ver ’t is.” zegt ze zachtjes.
“Ja, goed idee!” en steek m’n duim omhoog.
Trots kijk ik naar Dora.
Wat ’n doortastende dochter heb ik toch. En vraag me af hoe ik daar aan kom.
“O, mam, al 6 centimeter!”
“Och toch. ’t Arme kind.”
Ik had gehoopt op meer.

Dan komen de kinderen één voor één uit bed.
Lekker slaperige koppies en helemaal verbaasd dat ik er ben.
En tante Dora.
Dan opeens roept Noah: “Ik wéét het!”
“Ik óók!” zegt Ruben, en voordat iemand anders iets kan zeggen, roept hij opgewonden: “Papa en mama zijn naar het ziekenhuis, want de baby gaat eruit komen!”
“Ja, jongens, dat klopt! Spannend hè?!”
“Yes, yes, yesss!”
Ze dansen door de kamer.

Gedaan met de rust.
Aankleden, helpen met wassen en plassen, ontbijten.
De kinderen zijn door het dolle heen.
Opgewonden vertellen ze ons van alles door elkaar heen.
Hoe ze hebben geslapen en gedroomd.
Welke kleren ze aan willen en wat op hun brood.
Het grote voordeel van dit tumult is dat de tijd sneller gaat.

Dora heeft van alles meegenomen. Slingers, gekleurd papier, stickers, stiften.
Ze zet de kinderen aan tafel en ze mogen een tekening maken die we straks gaan ophangen, zegt Door.
Voor de nieuwe baby.
Die Door toch.
Goed voorbereid.

En…dáár is het verlossende telefoontje.
Er is een prachtig mooi gezond broertje geboren!
Ruim 9 pond.
Een zware jongen erbij in de familie.
We springen joelend rond.
De kinderen zijn vooral benieuwd hoe het jongetje gaat heten.
Wij ook trouwens.
We bedenken allemaal leuke en gekke namen en lachen ons slap.

Inmiddels is het ventje al ruim een half jaar.
Hij loopt nog niet, maar is wel zindelijk.
Tenminste, de poepjes, die doet hij netjes op het potje.
Ik sta er met open mond bij te kijken.
Toen ze mij jaren geleden aan de telefoon vroeg hoe dat ging met zindelijk en zo, zei ik “Ach meid, nu nog niet joh, dat komt vanzelf.”
En ik dacht aan mijn eigen kinderen die zo rond hun 3e zindelijk waren. Of later zelfs nog, ik moest met één van onze kinderen haast maken omdat hij al bijna naar de kleuterschool ging…
“Hier in Peru zijn alle kinderen zindelijk voor hun eerste verjaardag.”
“Dat kan toch niet!”
“Ze zijn echt allemaal zindelijk, mam.”
“Hoe kan dat dan? Die kindertjes snappen er immers niks van? Je moet ze toch vertellen waarmee je bezig bent…”
“Dat snappen ze wel hoor. Een hond krijg je toch ook zindelijk.”
“Noh, een hónd…!”
“En afrikaanse vrouwen dan, die dragen het kind op de rug. Die kinderen zijn dan ook allemaal zindelijk hoor. Je denkt toch niet dat die moeders zich de rug laten onder schijten?”
“Nee …”
Ik wist steeds minder te zeggen. Ik had er zelfs nog nóóit over nagedacht.
Die andere culturen ook.
“Nou lieverd, dan vraag je maar één van die wondermoeders daar, die kan het je vast haarfijn uitleggen. Want ik heb geen idee. Wij deden ze gewoon een luier om…”
“Hoor je ook wat je zegt?”
“Wat bedoel je?”
“Luier. Jij zegt luier.”
“Ja. Zo heet dat toch?”
“Precies. Misschien snap je nu wel waarom dat zo heet.”
“Ik hou van je.”
“Haha mam, ik hou ook van jou.”
“En dat is het belangrijkste toch? Al kun je dan niet veel van me leren op gebied van doortastendheid, goede voorbereiding of zindelijkheid…”
“Geeft niks mam.”
“Want er zijn ook moeders die helemaal niet van hun kinderen houden! Nee, niet veel. Maar ze zijn er wel.”
“Gelijk heb je. Maar daar ben jij niet ééntje van.”
“Dat bedoel ik.”
Blij en opgelucht legde ik de telefoon op de haak.

Aal

Jarig

Ik was jarig…
Weer een jaar erbij.
Zo heel stilletjes weer een heel jaar voorbij.
Maar zo niet de verjaardag.
Niks stilletjes.
Het was een drukke dag vol visite, telefoontjes, taart, bloemen, worst, cadeaus, kaas, slingers, zingen, vrienden, hapjes, drinken, rennen, familie, chips, kinderen, koffie, snoep en uitgelaten kleinkinderen.
Onoverzichtelijk druk.
Een janboel.
En dat begint al in de dagen vooraf: het huis op orde, de boodschappen, het nadenken over wat iedereen drinkt…
Gelukkig is het maar één keer per jaar.
Al schijnt dat veel vaker.
Maar het is al weer 3 jaar geleden dat ik 60 werd.
In mijn hoofd lijkt dat slechts een jaar geleden.
Doch niet alles is, zoals ’t in mijn hoofd zit.
Ik voel me hooguit 45 en verwonder me als iemand me ouder dan 50 schat.
Maar op deze dag is er geen ontkomen aan.
Iedereen helpt mee om mij aan mijn leeftijd te herinneren.

Ik word bedolven onder de Kleinkindertekeningen.
Op één daarvan staat: 100.
“Wat is dat 100?” vraag ik.
“U bent toch 100…?”
“Nee, nog niet.”
En een beetje nieuwsgierig geworden, vraag ik: “Wat denk je dan hoeveel jaar Bompa is?”
“Ehm…”
Hij krabt aan z’n kinnetje en kijkt met een denkgezicht en zegt dan:
“Ehh… achttien?”
“Bijna goed,” lacht Brom.
“Je hebt een prachtige tekening gemaakt!” ga ik verder.
“En deze… ook al zo mooi!”

De kinderen staan in een rij hun beurt af te wachten.
Ik bekijk alles uitvoerig en moet puzzeltjes oplossen, zelfbedachte grapjes lezen, 63 verjaardagshoedjes tellen, naar mezelf zoeken op de tekening: met een bril groter dan mijn hoofd en met spillebenen die wonderbaarlijk recht blijven onder mijn énorme buik.
En de bijgeschreven teksten lezen:
-Gefeeliesietiert liefe mammie.
-Halo u bent 63 jaar!!!!!!!!!!
-U bent hééééél mooi en heel grapig
-U bent al op de helft van 126
-U kan mooije verhaalen vertelen
-Ik vint het heel leuk dat u ons altijt zoveel snoep geeft
-Ik hoop dat u nog niet dood gaat
-U denkt zekers dat een leeuw of zo de gefaarlijkste dier ter wereld is MAAR DAT IS NIET WAAR!!! de MUG is de gefaarlijkst
-Ik hoop dat u een vrolijke verjaardag heeft…

Dat werd het.
Een vrolijke boel.
Met z’n 26en eten.
Kinderen mogen allemaal opblijven.
Als ver na middernacht de laatsten zijn vertrokken, zegt Brom onder ’t opruimen: “Pffft, dat was me het dagje wel!”
Ik kan er alleen maar blij en dankbaar op terugkijken en zeg:
“Als je er niet zo oud van werd, zou ik wel elke maand jarig willen zijn!”

Aal.