Feest met mama

Vandaag, 1 maart, was mama jarig.
Het is de eerste verjaardag na haar sterven. Ze zou 88 jaar zijn geworden. Ze is dus best heel oud geworden, maar we missen haar.
Ze was een ongelooflijk positief mens en zat vol grappen en grollen. Altijd vrolijk en en goed gemutst.
Ze maakte van elke dag een feestje. Het was een lust om haar om je heen te hebben. Boos werd ze nooit. In plaats daarvan werd ze verdrietig. Een knap stuk lastiger om mee te dealen, kan ik je zeggen.
Ze heeft altijd hard gewerkt: in onze wasserij, in een fabriekskantine, nylonkousen repareren, bloemen bezorgen, de bank schoonmaken en zoveel meer. Niet omdat ze dat nou zo graag wilde, maar om geld in ’t laadje te brengen.
En dat allemaal naast haar grote, drukke gezin. Daarbij kwam ook nog de zorg om papa in de 7 laatste jaren van zijn leven. Hij overleed op zijn 55e. Mama was toen 51 jaar.
Maar altijd als ik haar voor me zie, zie ik haar lachende gezicht en de ondeugd in haar ogen. Altijd in voor een grap.
Ze zag de mensen graag vrolijk en werkte daar met plezier aan mee.

Nu staat haar huis te koop. De plek waar wij onze fijne jeugd hebben doorgebracht. Voor sommigen van ons een hard gelag. Er liggen zoveel dierbare herinneringen. En het is een schitterende plek. In het centrum van Hardenberg. Een heerlijk, prachtig huis.
Voor de meesten die het huis komen bezichtigen, is het een raadsel hoe we daar met ons tienen hebben gewoond.

Mama woonde er de laatste jaren niet meer zelf, maar had het verhuurd. Ze woonde in een chalet naast het huis van zus Anne. Ook een geweldig, fantastische plek! Aan de rand van een grote vijver, die optisch gezien bij haar tuin hoorde.
Die chalet is inmiddels verkocht. Met een supergrote kraan werd die opgehaald en óver het huis van Anne heen getild en achter een grote laadwagen naar zijn nieuwe bestemming gebracht.

De week daarvoor gingen we op de zaterdag met de broers en zussen die chalet ontruimen. Een heel karwei.
Broer Mat had een container besteld.
Alleen de aanblik al op die grote gapende kist ervoer ik als onaangenaam dreigend.
Ik kan heel slecht iets weggooien en nu betrof het ook nog allemaal spullen van mama. Maar niet iedereen had daar last van. Er zitten nogal wat opgeruimde types bij, tussen die broers en zussen van mij. En daar kreeg ik het een beetje benauwd van.
Kasten en laadjes werden opgetrokken en hup daar ging de inhoud.
Wat moet je ermee? vroegen ze zich af.
Help.
Ik kreeg het nare gevoel dat het mijn taak was de boel te behoeden voor de container.
Dat zei niemand, maar dat voelde zo. Ze gingen tekeer en sjouwden van chalet naar container en weer terug en ik zat er maar verlaten bij. Met een laadje op schoot…
(Opschieten is trouwens ook al nooit zo mijn ding geweest)
De mooie dure en bruikbare spullen hadden allemaal zo weer een nieuwe eigenaar. Dat kon mij helemaal niks schelen. Als het maar niet werd weggegooid.
Maar dan heb je nog zóveel over. Papierwerk, foto’s, kindertekeningen, krantenknipsels, rouw-, en trouwkaarten, geboortekaartjes, mama’s zelf geschreven briefjes…
Ook kleding. En tuurlijk, ik weet ook wel: wat moet je ermee. Maar mama had ook nog eens práchtige kleding. Daar zorgde mijn zus Jet wel voor. Zij nam mama geregeld mee naar dure speciaalzaken en daar werd niet op een cent gekeken. Mama zag er altijd fleurig en opperbest uit. Ik vind het bijna erg om te zeggen, maar veel daarvan belandde in de daarvoor bestemde container.

Ik kon natuurlijk niet alles meenemen, maar veel wel. Toen ik eenmaal besefte dat ik ook thuis de boel verder kon gaan uitzoeken, kieperde ik zo zonder te kijken de boel in grote dozen en schoof het achter in mijn auto. En op de achterbank. En de bijrijdersstoel. De auto propvol. Ik paste er zelf nog net bij.
En zo kwam ik thuis.
Brom liep me tegemoet, wierp een blik in de auto en zei: ik dacht dat er een container besteld was.
Hou je stil, zei ik.
Braaf hielp hij met het zeulen van al die kostbaarheden naar mijn pas opgeruimde zolder. Daar is nu genoeg ruimte en zit het bovendien niemand in de weg.

Op een dag ga ik die zolder op en heerlijk struinen tussen die rommel van mama.
En dan eens kijken wat er allemaal tussen zit. Welke ‘schatten’ ik nog tegenkom. Of lieve briefjes. Of wat dan ook. De spullen ruiken zelfs naar haar.
Het zal een dagje ‘mama’ worden.
Ongetwijfeld heb ik dan een fantástisch fijne dag op zolder, want met mama was het altijd féést!

Aal


22-01-21

Yooo!

Vandaag is onze kleinzoon geboren!
Alles erop en eraan en helemaal gezond!
En een geweldig prachtig kereltje!
Nou ja, kereltje… hij weegt 4210 gram.
Dus een zware jongen erbij in de familie!

Ook met moeders alles wel!
Die krijgt de glimlach maar niet van haar gezicht en ligt als een koningin te strálen in haar kraambed.
Verlost, voldaan en overgelukkig.
We hadden bijna allemaal al de moed opgegeven; ze was 12 januari al uitgerekend, maar uitgerekend vandaag beviel ze… 10 dagen ‘overtijd’.
En wat een mooie datum: het lijkt wel een aftreksommetje.

Natuurlijk begonnen de weeen vannacht. Toen we allemaal sliepen. Opeens werd ik wakker van app-geluidjes. Huh? Wát?
‘Baby onderweg’ las ik. Ja, dat weet ik nu wel, dacht ik, het gaat bijna nergens anders meer over. Huh? Weeen?! Dus toch!
Ik ging rechtop zitten, las nog eens en wreef mijn ogen uit. Of andersom, dat weet ik niet meer. Maar het besef drong door dat het moment van bevallen was begonnen.
Heel zachtjes kroop ik uit bed, want voor je ’t weet heb je Brom wakker en die is zijn nachtrust echt nodig.
Ik wilde iets dóen, niet dat het opstaan van mij iets toevoegt, maar je probeert wat. Ik daalde af naar beneden, nog steeds heel zachtjes en voorzichtig, want ik wilde onze krakende trap zo min mogelijk laten kraken.
Om Brom he.

Koffie.
En wachten op de volgende wee. Bah. Ze doen zo zeer, die weeen. Als ik eraan denk, voel ik ze. En dat voelt niet prettig.
Koffie.
En ijsberen. Kijken op de klok. En m’n appjes checken. Niet dat ik nu nog appjes krijg, maar je weet het maar niet.
Niets wat ik doe kan de bevalling bespoedigen. Wachten is het enige. En juist daar ben ik zo slecht in.
Brom komt uit bed.
Hé, jij al op?
Dat is eigenlijk altijd andersom.
Ze is bezig, zeg ik.
Wie? Waarmee?
Onze dochter aan de bevalling…
O, zeg dat dan. Hoe kan ik dat nou weten?

De telefoon gaat… Jaaaa! Jonas Hendrik geboren!
Wat móói! Naar jou genoemd! roep ik.
Brom zegt niks.
Hoor je ’t wel?

Ik kijk naar hem en zie een traan.
Nou, Brom? Wat?
Práchtig, zegt hij met een brok in zijn keel.
Haha, wat mooi! Je bent er helemaal beduusd en ontroerd van!
Nee hoor…
We vallen elkaar lachend in de armen.
Tsjonge jonge zeg! Ons veertiende kleinkind! En alles gezond!
Wat een zegen!
Krijgen we gewoon in de schoot geworpen!
Kleed je gauw aan, zegt Brom, ik wil er naar toe.
Ik ook.
En daar loop ik even later met een trotse opa Hendrik aan mijn zij naar onze blije kinderen met hun prachtig mooie mannetje…
Wat kan het leven toch fantástisch mooi zijn!

Aal



Eerste blog 2021

Allemaal de feestdagen goed doorgekomen?
Het was toch wel een beetje anders dan anders, niet?
Ik stond voor de zekerheid om 12 uur ’s nachts buiten met pannendeksels te lawaaien, maar dat bleek bijna overbodig. Er was gelukkig nog genoeg knal-, en vuurwerk.

En voor ik het vergeet: Een heel goed en gelukkig nieuwjaar allemaal!
Maar tegelijk ook heel veel sterkte gewenst!
Want het zal nog wel ’t hele jaar doorgaan met die afstand, mondkapjes, vaccingedoe, gesloten winkels, kroegen etc. en de avondklok komt er vast en zeker ook nog wel bij.

Ik dacht bij mijzelf: ik kan het jaar niet beter beginnen dan met een vakantie! Geweldig idee.
Nee, we gaan niet weg. Gewoon thuis. Kan ik heel erg van genieten. Niks meer ’s morgens vroeg uit de veren omdat ik naar m’n werk moet. Geen wekker zetten. Even alles in de laagste versnelling.
En ach, ik nam natuurlijk ook vrij omdat ik weer oma wordt!
Sterker nog: dochter Kiki is precies vandaag uitgerekend!
Nog niks aan de hand trouwens. Ik had haar net nog aan de telefoon. Ze is met beide kinderen in de speeltuin. Dit wordt nummer 3. We weten nog niet wat het geslacht is. En zij ook niet. Ze houdt van verrassingen.
We hebben een poule in de familie gemaakt en daarop heeft iedereen een geboortedatum, geslacht en naam geschreven. Ik heb de datum al verloren, want ik zette in op 9 januari…
En op een meisje en dat kan nog natuurlijk. De naam zeg ik maar niet, want dat kon ik wel eens goed hebben. Volgend blog krijgen jullie de antwoorden.

Het is pas mijn tweede vakantiedag. Van de 3 weken. Als je er zo voor staat, lijkt het heel wat, maar ik weet uit ervaring dat het ook zomaar weer voorbij is. Dus dacht ik: ik ga eens opschrijven wat ik allemaal doe. Dan kan ik nalezen waar de tijd gebleven is.

Gistermorgen ging ik eerst (na de koffie en zo) bellen met mijn werk. Toen ik vrijdag voor de laatste dag aan het werk was smeet ik heel onhandig een volle kop koffie over me heen. Per ongeluk uiteraard. En moest toen de kelder in voor een schone jas en broek. Het koffiestelletje gooide ik bij de was. ’s Avonds ontdekte ik dat ik mijn pasje kwijt was. Zat natuurlijk nog in de zak van die koffiejas! Dus werk bellen. Dat kon pas gisteren. Nee, nog niks gevonden. Maar ik hoefde niet weer te bellen, want ze zouden mij wel een mailtje sturen als het pasje boven water was. Op mijn werkmail. Op die werkmail is juist precies vandaag het wachtwoord verlopen en kan ik er niet in. Met geen mogelijkheid. Misschien kan het wel, maar ik weet niet hoe dat moet. Dus maar wachten tot één van de kinderen langskomt…

Toen besloot ik een volle slaapkamerkast te gaan uitruimen. Wow, wat kan er veel in zo’n ingebouwde kast. Toen alles eruit op het bed lag, kon ik amper geloven dat dat allemaal uit die éne kast kwam. Maar het was echt waar, ik was er zelf bij. Er kon – o wat een genot – heel veel weg, maar toen ik ‘m weer netjes inruimde zattie gewoon weer vol…

Daarna maakte ik een afspraak met de grafstenenmeneer. Van de broers en zussen heb ik het voorrecht gekregen deze taak op me te nemen: Er moet een steen op mama’s graf. Met tekst. Ze ligt samen met papa in één graf. Die steen van papa is er al afgehaald. Nu moet er een mooie gezamenlijke steen op. Een paar maand geleden ben ik al eens in die showroom geweest. De keuze is reuze. Maar de prijzen ook. Tsjonge zeg, wat een dure aangelegenheid! Ik heb maar direkt tegen onze kinderen gezegd, dat ik absoluut geen steen hoef.
Maar voor mama is dat anders. Ik heb een afspraak gemaakt met die meneer en ga zorgen dat het mooi voor elkaar komt.

Inmiddels was het bijna half 4 geworden. En belde ik een goede vriendin van Mieke van den Hoeven. Daar zat ik bijna anderhalf uur mee te praten. Het is precies twee jaar geleden dat Mieke overleed. De vriendin had het er nog moeilijk mee, al ging het steeds beter. Mieke was een fantastische vrouw, waar ook ik erg op gesteld was. Zij was huisarts evenals haar man. En in die groepspraktijk heb ik jaren gewerkt. Met heel veel plezier. Wat een geweldig mens was zij toch. Daar hadden we het samen over. Over de goeie ouwe tijd, zeg maar. We waren nog lang niet uitgekletst, maar ik moet ophangen, zei ik, ik moet aan de kook. Sjors komt straks gezellig eten, nou ja niet alleen gezellig; hij eet ook nog es heel veel, dus er moet wel wat op tafel staan. Maar ik bel je weer. Ik vond het heel gezellig met je te praten. Doe maar, zei ze, ik ben veel alleen en in deze tijd ga ik er niet op uit.

Na het eten kwam de vraag op onze ‘ladiesapp’ wie er zin had een eind te gaan lopen. De vraag kwam ook nog van Kiki, onze hoogzwangere. Ik zei meteen ‘ja’. Even lekker naar buiten. Ook nog twee andere zussen zeiden ja. En ik nam Bobbi mee, onze hond.
Zo liepen we toch zeker een dik uur. De tijd vliegt als je praat en loopt. En met een heerlijke frisse blik kwam ik weer thuis. Met Bobbi die onmiddellijk haar mand opzocht. En ik de bank.

Dat was mijn eerste vakantiedag.
Moe, doch voldaan viel ik héél laat in slaap.
Maar dat gaf helemaal niks, want vroeg op, nee, dat hoefde héérlijk niet!

Aal



Tandarts

Eergisteren ging ik naar de tandarts…
Ik kom er zelden en er moet iets heftigs zijn wil ik daar een afspraak maken. Mijn gebit is slecht en ook tandheelkundig slecht onderhouden. Ik poets natuurlijk wel, zelfs meerdere keren per dag en ik flos er ook lekker op los. Maar nu…
Al enige tijd merkte ik dat mijn hoektand los ging zitten. Geen pijn of zo, gelukkig niet. Maar die hoektand zit natuurlijk erg in ’t zicht. Echt heel erg in ’t zicht. Ik wil hem niet kwijt.
Dus bedacht ik dat de tandarts misschien wel een behandelingetje had, waardoor die tand weer vast ging zitten. Je weet maar nooit. Ik kom er niet, maar ondertussen kunnen ze natuurlijk de nieuwste technieken bedenken.

Vroeger van huis uit gingen we ook nooit naar de tandarts. Behalve als we kiespijn hadden en de tandarts de rotte kies lieten trekken. Niet direkt natuurlijk; we liepen eerst een paar weken met een zere kies. Die pijn werd met de dag erger. Ik ken maar weinig dingen die zo zeer doen als kiespijn. We slikten chefarine 4, deden natte kouwe doeken op de wang en sliepen vervolgens de hele nacht niet. Het bonkte zelfs door in je hoofd. En je kreunde van de pijn. Niets hielp echt. Eten werd ook moeilijk en zelfs praten werd een probleem…
Als je op dat punt gekomen was, ging je – voor zover dat nog mogelijk was – huppelend naar de tandarts. Niks bang meer. De kies werd getrokken en de pijn was weg! Het heeft warempel veel overeenkomsten met een bevalling, maar dat wist ik toen nog niet.

Toen we zelf kinderen kregen, besloot ik het anders te doen. Trouw gingen we elk half jaar in een kolonne naar de tandarts. Uiteraard liet ik toen ook mezelf controleren. Dat is dus best een hele poos geweest.
Maar nu de kinderen de deur uit zijn, is bij mij het enthousiasme van de halfjaarlijkse tandartsbezoekjes volledig verdwenen. Gewoon slordig.
Ik weet het.

Maar nu. Mijn losse tand. Aan de voorkant van mijn gelaat. Geen gezicht als die weg zou zijn. Ik heb al geoefend voor de spiegel hoe dat eruit ziet. Vreselijk. Als ik praat, zie je het, als ik lach, zie je het nog erger. Dat wil je toch niet. Ik ga er dus alles aan doen om die tand te behouden. Want een leven met weinig praten en een beetje ingetogen lachen is een veel groter schrikbeeld dan een bezoekje aan de tandarts.

Ik maak de afspraak, maar kan pas over 5 dagen terecht. Dat wordt een uitdaging. Want ik wil de tand er nog in hebben zitten als ik ga. De kans dat er dan nog wat te redden valt, lijkt me aanmerkelijk groter. Niet dat ik er verstand van heb, maar vastplakken of zoiets, dunkt me, moet toch lukken. Ach, die tandarts heeft vast en zeker wel een of andere kunstgreep om die tand te behouden.
Ik blijf voorzichtig poetsen en neem me voor zoveel mogelijk vloeibaar te eten. Dat voorzichtige poetsen lukt prima.

Daar ga ik dan. Ondertussen is de losheid ernstig toegenomen. Ik betrap mijzelf er op dat ik met mijn tong een beetje aan het spelen sla met die tand. Niet doen, Aal, zeg ik dan. Maar dat blijft moeilijk.
In de wachtkamer kom ik een van ‘mijn’ kraamverzorgsters tegen.
Wat doe jij hier dan? vraagt ze mij.
Kijk, een losse tand. En jij?
Oei, zegt ze, ik heb kiespijn. Ik kan geen koud en warm drinken meer hebben. Pijn joh!
Ook lastig, zeg. Moetie eruit?
Dat hoop ik toch niet! Die van jou zeker wel..?
Nou, nee. Ik hoop dat ze de boel kunnen repareren…
Haha, denk dat maar niet.
Maar Anneke, ze kunnen naar de maan… harttransplantaties…en noem maar op en dan zouden ze niet mijn tand kunnen redden?
Ik weet het natuurlijk ook niet, lacht ze, maar ik dénk gewoon dat het niet kan.
Toch heel leuk om jou hier tegen te komen…
Bemoedigend.

In de stoel bij de tandarts zakt mijn moed helemaal tot onder het nulpunt. Het komt door de blik van de tandarts. Ze kijkt heel bedenkelijk in mijn mond en terwijl ik murmel ‘kan je er nog wat aan doen?’ – iets wat zij wonderwel verstaat – blijft ze maar met haar hoofd schudden.
Helaas, zegt ze en schuift mijn mond dicht.
Dat méén je niet. Kan je helemaal niks dan?
Nee. Het is een afgebroken tand. De wortel is ook doormidden. Ik kan er niks mee.
Niks?
Nee. De tand zal eruit gaan vandaag of morgen. Daarnaast mis je ook al een tand, dus daar zit ook al een gat. En de tand aan de andere kant van deze hoektand is ook niet veel meer. Misschien moet je gaan nadenken over een kunstgebitje boven…
Ggg, zeg ik. Ik val een beetje stil. Een kunstgebit?! Ik had zó gedacht dat de tandarts wel een pasklare oplossing had.
Bovendien snap ik helemaal niet hoe je eet en kauwt. Je mist zoveel. Zet je tanden en kiezen eens op elkaar. En maak es kauwbewegingen.
Ze steekt een wit papiertje tussen mijn kiezen.
Ik weet opeens niet meer hoe ik kauw.
Ik denk er nooit zo overna, zeg ik, maar maak je geen zorgen. Kauwen lukt prima. Ik krijg alles weg. Veel meer dan nodig zelfs.
Raadselachtig, zeg ze, maar gelukkig. Ik kan nu verder niks. Krijg jij mooi de tijd om over het vervolg na te denken. Een brug kan niet. Een stifttand ook niet. Rest eigenlijk alleen het kunstgebit…
Daar moet ik inderdaad over nadenken! Daar ben ik nog láng niet aan toe, huiver ik.
Ik zie je wel weer, zegt ze.
Nou, zeg ik, behalve dan als die mondkapjes blijven – waar het erg naar uitziet – dan ziet niemand wat en kan ik het mooi zo laten.

Aal.
p.s. dezelfde avond bij het eten van een kippenpoot ging de tand eruit



Meer mama

Er was één ding waarop bij ons thuis niet werd bezuinigd, en dat was het eten. Mama kon heerlijk koken en er was altijd genoeg. Ook voor een onverwachte mee-eter. Of twee. Ze schol (of is het schilde) 5 kilo aardappels per dag. Een groente erbij zoals bloemkool, sla of bonen en een stukje vlees. Wij smulden van haar eten.

Er kon ook altijd een vriendje of vriendinnetje blijven slapen. We hadden maar drie kleine slaapkamers, een voor papa en mama en een jongens-, en meisjesslaapkamer. We waren met 8 kinderen en o, wat een geluk: 4 meisjes en 4 jongens. Ook nog een heel leuke volgorde: eerst 2 meisjes dan 2 jongens, dan weer 2 meisjes en weer 2 jongens. Er stonden in beide slaapkamers 2 stapelbedden, met een heel kleine ruimte er tussen. We schoven ’s avonds wat met de slapende kleintjes (met de voetjes naar elkaar toe) en zo ontstond er plek voor onze loge’s. Het was bij ons thuis vol, veel en gezellig.

We waren inmiddels verhuisd naar Hardenberg. De boerderij in Bruinehaar hadden we een jaar na mijn geboorte moeten verlaten, omdat die verkocht zou worden. Dat betekende een verhuizing voor de drie gezinnen die in de boerderij woonden. Woonruimte vinden in die tijd -1957 – was erg moeilijk. Woningnood vierde hoogtij.
Wij gingen inwonen bij een oudere zus van papa die met haar kinderen in een boerderij in Kloosterhaar woonde. Papa werkte voor die zus op de boerderij, omdat haar man overleden was.
Daar werd mijn jongere zusje Jet geboren. Zij werd naar onze andere oma genoemd, die Hendrikje heette, en beslist niet wilde dat haar kleindochter ook zo zou heten, omdat zij haar levenlang al een hekel aan haar naam had. We hadden twee heel verschillende oma’s…

Niet lang daarna kwam het arbeidershuisje naast de boerderij vrij en trokken wij daarin. Het was voor ’t eerst dat papa en mama een eigen plekje hadden. Steeds hadden ze bij anderen ingewoond.
Wat waren ze gelukkig met hun eigen huisje.
Er werden daar 3 kinderen geboren. Met gewichten tussen de 9 en 10,5 pond. Mama had zwangerschapssuiker wat bij de 5e zwangerschap ontdekt werd.
Controles had ze bij de eerste zwangerschappen niet. Ze ging naar de huisdokter om te horen dat ze zwanger was en hij werd erbij gehaald als het ‘zover’ was.

Toen de kraamverzorgster na de geboorte van mijn broertje Jan afscheid nam, omdat ze voor de laatste dag gewerkt had, gebeurde er iets wat ik nog zo voor me zie. Mama, broertje Piet, Jetje, en ik vergezelden haar naar buiten. Zij reed met haar bromfiets ons paadje af, keek achterom en zwaaide. Door dat omkijken en die zwaai raakte ze uit balans en reed pardoes in de diepe sloot voor ons huis. Ze gilde – mama ook trouwens – kroop uit de sloot, stond op en zat helemaal onder ’t blad en modder. Een potsierlijk gezicht en ik moest lachen, waarop mama mij bestrafte en zei: ga jij papa maar halen. Ze zag zich evenals de kraamverzorgster geen kans die bromfiets uit te sloot te halen. Ze ging gauw met de kraamverzorgster naar binnen om haar te helpen fatsoeneren. Daar vertelde de kraamverzorgster snikkend aan mama dat ze in verwachting was. Mama schrok daarvan, maar zei: het komt vast goed.
Een half jaar later hoorden we van de voorspoedige geboorte van een welgeschapen zoontje Harrie. Gelukkig maar, verzuchtte mama. Die kan tegen een stootje.

Wat ik mij nog meer herinner uit die tijd is de zwarte kachel. Die stond in de keuken en werd ’s morgens aangemaakt met kolen. Een koud karwei. Het was onze enige warmtebron in huis. Overal was het koud en als ’t vroor stonden de ijsbloemen op de ramen. ’s Morgens uit je bed komen was meteen al een heldendaad; je moest onder een dik stapel dekens vandaan en de slaapkamer leek een vrieskist. De kou van de vloer trok door je heen en door alle spleten bij het raampje en de deur kwam de kou in al zijn glorie naar binnen. Het enige warme was je adem, die je grappig genoeg ook nog kon zién.
Maar verder steenkoud. Brrr.
Gauw die kachel aan. Maar als papa pech had, was de kit leeg en moest hij naar buiten kolen halen uit de kolenbak. Tegen de tijd dat de kachel een beetje warmte gaf, moest hij weg om de koeien te melken.
Er stond altijd een ketel met water op de kachel. Zo had mama de hele dag warm water. Een warmwaterkraan of douche hadden we niet.
Elke zaterdag gingen we met ons vijven achter elkaar voor de kachel in de teil. We kregen dan ook schoon ondergoed aan.
Jetje en ik mochten daarna een poosje opblijven en speelden spelletjes met papa. Mama had de handen vol aan de kleintjes naar bed brengen, de teil en de natte keuken opruimen en de ontstane was.

Op een dag ging onze zwarte kolenkachel de deur uit. Ik zie hem zo voor me, met zijn ringen bovenop, waarmee je het gat groter en kleiner kon maken. Er kwam een andere, ik weet niet meer welke. Het zou een gaskachel kunnen zijn. Mama zei: ach daar gaatie dan, onze trouwe makker, hij heeft ons altijd warmte gegeven, mijn was gedroogd en ons nooit in de steek gelaten. Ik kreeg van die woorden een brok in mijn keel en kuste de kachel.

In Hardenberg begonnen mijn ouders een wasserette. Papa had op de boerderij van zijn zus plaats moeten maken voor de zoon die de boerderij ging overnemen.
Hardenberg was voor ons een grote stad. Wij kwamen er héél af en toe. Ik was ooit met papa op de bromfiets naar de opening van het nieuwe gemeentehuis geweest. We stonden met ongelooflijk veel mensen op het Stephanusplein. Ik had nog nooit zoveel volk bij elkaar gezien. We stonden opgepropt bijeen en maar wachten. Zijne koninklijke hoogheid Prins Bernhard zou het gemeentehuis komen openen. Een geweldige happening natuurlijk; iedereen wilde erbij zijn.
Ik heb zeker 3 vrouwen gezien die in de menigte flauwvielen. Heel bijzonder. Er kwamen dan 2 mannen door het publiek met een witte draagdoek aan twee stokken, die ‘plaats maken’ riepen en vervolgens de vrouwen wegdroegen. Ik vond dat eng en vroeg papa wat dat toch was en hij zei: o, ze vallen flauw. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld was.
Misschien kwam het door de warmte, denk ik nu, of de spanning. Of het lange staan. Voor mijn gevoel hebben we daar uren gewacht. Flesjes water of anderswat had natuurlijk ook niemand bij zich…
Maar daar wassie dan.. onze Prins! Heel in de verte voor ons stond hij op het balkon van het gemeentehuis. Papa tilde mij op om beter te kunnen kijken. Ik zag wat mannen staan op dat balkon, maar wist absoluut niet welke de prins was. Ze waren allemaal heel gewoon. Niks geen prinsachtige er tussen. Beetje teleurstellend eigenlijk. Je waagt je leven om hem te zien – dat hele stuk op de bromfiets zonder helm – en blijkt de prins een doodgewone kerel.

Wat is dat toch met herinneringen? Waarom onthoud je het éne wel en het andere niet? Als we met de broers en zussen bij elkaar zijn hebben we allemaal andere verhalen over ‘vroeger’. De een weet dit nog, de ander dat. En dingen die heel belangrijk schenen, zijn sommigen van ons gewoon vergeten. Of herinneringen verkleuren, worden mooier of juist minder mooi.
Het was in mijn verhaal ook veel mooier geweest natuurlijk als ik de kachel uitgezwaaid had en de prins mij had gekust…

Aal


Mama

Het is schandalig lang geleden dat ik schreef…Niet dat er niks te schrijven viel. Er gebeurde juist heel veel.

Het allerergste en meest ingrijpende was het overlijden van mijn moeder. Ze was weliswaar 87 en al jaren dement. Maar ze was mijn moeder. Ik had de aller-allerliefste moeder van de hele wereld. Ze was ongelooflijk hartelijk, spontaan en grappig. Elke morgen weer stond ze vrolijk op. Ze was zorgzaam, gastvrij en had geweldig veel humor.

De koffie stond altijd klaar. Iedereen was welkom, wie het ook was. Dat hebben we geweten, want ons huis was altijd vol. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds héél laat. Het was overal donker in de straat, maar bij ons brandde licht. Een komen en gaan van vrienden, familie, mensen uit de kerk of de buurt. Voor allemaal had ze een goed woord. Nooit chagrijnig of boos. Op niemand. Als er al eens iets was, werd ze verdrietig…

Ze werd geboren in een boerengezin als 5e kind van de uiteindelijk 6 kinderen. Het laatste kind werd geboren toen haar moeder al 43 jaar was. Die jongere zus van mama – Willy – is de enige van die generatie die nog leeft. Dat is ook zo’n lieverd en een vrolijke, gezellige, humorvolle vrouw. Mama had 2 broers en 3 zussen. Die beide broers heetten Jan, ze werden naar de beide opa’s genoemd die dus ook allebei Jan heetten. En opa – hun vader dus – heette ook nog eens Jan. Het kan verkeren. De zussen waren Antje en Marry en de jongste dus Willy.

Ze woonden in Bergentheim in een boerderij aan het kanaal. Mijn opa Jan en oma Hendrikje met hun 6 kinderen. In de voorkamer woonde de ongetrouwde, 13 jaar oudere broer Bruun (Bruin) van oma. Hij was niet de vriendelijkste huisgenoot, was veeleisend, en kreeg ook nog eens t.b.c. of tuberculose. Dat was in die jaren een gevreesde ziekte. De tering werd het ook wel genoemd. Erg besmettelijk ook. En nauwelijks te behandelen. Opa had voor Bruun een klein houten hokje gemaakt dat in de voortuin werd gezet. Daar sleet Bruun zijn dagen. De opening van dat hokje werd naar de zon gedraaid en uit de wind, omdat zonlicht, rust en buitenlucht als goede behandeling was aanbevolen. Vanwege de ernstige mate van besmetting bleven de mensen op afstand. Sommigen zwaaiden naar hem vanaf het zandpad naast het kanaal. Oma, zijn zus, was de enige die dicht bij hem in de buurt kwam. Ze verzorgde hem, bracht hem eten en verschoonde zijn bed. Bruun overleed in 1955, 73 jaar oud en een smak geld achterlatend. Zijn zus Hendrikje zag er geen cent van. Wel had hij in zijn testament beschreven dat de 6 kinderen van haar allemaal 4000 gulden zouden krijgen! Behalve Margje, zij kreeg het dubbele; ze was zijn lievelingsnichtje. De rest van de erfenis ging naar de kerk.

Juist ook in dat jaar 1955 trouwde mijn moeder Diny met mijn vader Pieter. En bracht een dikke bruidsschat mee. ’t Geld van ome Bruun. Ze gingen wonen in Bruinehaar. Achter in een boerderij, waar een kamer, keukentje en slaapkamer was getimmerd. Voorin woonden 2 broers van papa met hun gezinnen. Ook verbouwd voor dubbele behuizing. Er was woningnood. Daar in Bruinehaar werd ik geboren. Zoals toen gebruikelijk was, werd het eerste kind naar één van de ouders van de man genoemd. Dat werd dus Aaltje. Mama had bedacht dat ze als roepnaam Anja ervan wilde maken. Een beetje anders dan de rest. Er waren al 8 Aaltjes in de familie. Papa was de 11e van 13 kinderen, en al zijn broers en zussen die al een dochter hadden, hadden een Aaltje. Maar toen papa de volgende dag op zijn bromfiets langs beide ouderparen ging om het heuglijke nieuws van mijn geboorte te vertellen, kwam hij terug met de mededeling dat zijn moeder het met de naam niet eens was: als het kind Aaltje zou gaan heten moest de roepnaam Alie zijn. Ze had geen boodschap aan die moderne fratsen. Wat is er nou mis met Alie? (Ik kan ook niks bedenken:) Na mij werden er nog 2 nichtjes geboren met de naam Aaltje. Roepnaam Alie.

Net zo onwetend als ik was van mijn naamsverandering binnen een dag, was ik van mijn – zo te verwachten – gespreide bedje. Maar nee. Er was geen gespreid bedje. Het geld van ome Bruun was weg. Er was niks meer over. Dat alle kinderen van Jan en Hendrikje flink geld hadden geërfd, ging als een lopend vuurtje door het dorp. Het was warempel ook niet niks. Vier-duizend guldens!

Vrienden van papa en mama waren langs gekomen. Ze wilden een zaak beginnen. Maar hadden geen geld. Ze zouden heel graag het kapitaal van ome Bruun willen lenen. Uiteraard, later als de zaak floreerde, kregen ze het geld terug. Maar helaas. Dat is er nooit van gekomen. Het uitlenen wel, maar terugkrijgen niet. De zaak ging na enkele jaren failliet. En de vrienden emigreerden naar Amerika.

Ik heb vroeger vaak gedacht dat ik eigenlijk een prinsesje was, dat opgroeide bij arme mensen. Dat prinsesje klopte niet, maar arm waren we wel. En dat is mijn hele jeugd zo gebleven. Niet straatarm, gewoon arm. Elk dubbeltje werd 3x omgedraaid. We droegen afgedankte kleding en schoenen van nichtjes of buurmeisjes. Er was geen geld voor cadeautjes op je verjaardag. En zoveel meer was er niet. Armoede is iets, dat je leven volledig kan beheersen. Het kan je leven drukken. Dag en nacht. Het geeft zorgen, gebrek en ongemak. Maar bij mama heb ik dat nooit gemerkt. Er was geen geld, maar zij liet zich daardoor niet van de wijs brengen. Zij wist van elke dag een feestje te maken. Blij en goedgehumeurd opstaan. En altijd opgewekt, vrolijk en grappig.

Ik heb niks gemist. Ben nooit iets tekort gekomen. Ik heb een fantástische jeugd gehad. Je was een prachtig mooi mens mam.

Een heel prachtig mooi mens!

Aal

wordt vervolgd

Nieuwe auto

Pinksteren 1955…
Het was prachtig zonnig weer en de mensen trokken er op uit.
Op de fiets of met de brommer.
Of – zoals velen het zich al konden veroorloven – met de automobiel!
En zo kregen we op die mooie pinksterdag in Nederland een historisch nieuw fenomeen erbij: de file!
De meeste mensen stonden er verbaasd en vrolijk in.
Moet je kijken: zóveel auto’s! We kunnen niet meer voor-, of achteruit!
Zwaaien en wijzen naar elkaar.
Láchen.

Inmiddels zijn we miljoenen kilometers file verder. Ook miljoenen auto’s.
Daar is die van ons ééntje van.
En laat die nou net morgen naar de sloop gaan…
Ik word er een beetje weemoedig van.
We hebben al een nieuwe, dus zonder vervoersmiddel zitten we niet, maar dat is het ook niet.
Ik ben aan die auto gehecht geraakt. En nu afscheid te moeten nemen is toch echt een dingetje.
Hij (of is auto een ‘zij’) bracht me overal waar ik maar wilde.
Liet me nooit in de steek. Nou ja, bijna nooit dan.

Ik wil maar zeggen: eigenlijk ben ik gewoon van haar gaan houden (ik denk inmiddels dat auto’s vrouwelijk zijn)
Zij is een prachtige groene. Diepgroen. Ze reed meer dan 511.000 kilometer. Ongeloof’lijk, niet? Dat is meer dan 12 keer de wereld rond!
Maar ze is oud…
En daar zit het probleem.
Brom zegt dat ze op is én duur én dat we niet in elke stad mogen rijden met haar én dat er onkosten komen én dat hij nou wel eens een mooie wil én dat dan dan een ‘hoogzitter’ moet worden.
Bij ons thuis is de man degene die beslist over auto’s.
Mijn stem telt niet.
Het allerliefst had ik de rest van mijn leven in de groene doorgereden…

Ik ging eens met die auto mijn baas (dokter Buurman) halen. Hij vroeg mij in welke auto ik zou komen aanrijden.
“In een groene,” zei ik.
“Wát nou ‘groe-ne’?!” hoonde hij. “Het heeft toch een merk?”
“O ja, eh, ik denk een Opel… maar kan ook een Ford zijn.”
Ik was al blij dat ik zo twee automerken uit mijn mouw schudde.

Toen ik op de afgesproken parkeerplaats aan kwam rijden om hem op te pikken, maakte ik voor de duidelijkheid al toeterend een mooie slinger om hem heen.
Ik zag ‘m schudkoppen en foeterend stapte hij in.
Hij keek mij ernstig aan en zei:
“Dit is geen Opel. Dit is ook geen Ford. Dit is een Vólkswagen!
Vergeet dat nooit meer. En waag het ook niet ooit weer ‘groene’ te zeggen! Dat klinkt volslagen onnozel! Groen is een kleur en geen auto!”
“Wees blij dat je mee mag rijden.”

Ik ben door dit voorval natuurlijk nooit vergeten dat het een Volkswagen is.
Toch ben ik haar hardnekkig ‘groene’ blijven noemen.
Sommige dingen in het leven verleer je niet.

Nu gaat ze weg.
En ben ik zojuist als afscheidsceremonie met m’n mobiel en al boven op de motorkap gaan liggen. Ik wilde een mooie selfie van mij met mijn groene.
Zo’n foto die je wel vaker voorbij ziet komen van een knappe slanke jongedame met haar blitse auto.
Die wilde ik ook.
Al is de groene niet blits meer.

Het lijkt een peuleschilletje, maar het was een hele operatie.
Ten eerste al om er bovenop te klimmen.
De motorkap is rond, nou ja rond, het loopt glooiend naar beneden, ik gleed en deed een angstige greep naar de spiegel, hetgeen lukte, maar die spiegel knakte naar voren en bleef ik er heel oncharmant bijliggen.
Ook werd het toen wel erg moeilijk gewoon een selfie te maken. Dat moest met mijn onhandige linkerhand, want rechts kon ik die spiegel onmogelijk loslaten.
Ik keek ook nogal verkrampt en erger nog: ik vulde ’t hele beeld. De groene was wazig als achtergrondkleur; en was als zodanig niet als auto te herkennen.
Ik liet me er maar afglijden en riep Brom erbij om van mij en de groene een foto te maken.
Ik moet eerlijk zeggen dat dat ook niet je-van-het is geworden. In je hoofd zien dingen er toch anders uit dan in ’t echt. Het viel een beetje tegen.
Ik wist ook niet goed hoe ik moest kijken: verdrietig, trots of blij…
En ik stond er nogal prominent bij. Vond ik.
Een beetje dikkig ook.
Uiteindelijk heb ik nu een foto van alleen de auto.
Zelf gemaakt.
Ben heel dankbaar dat al die andere foto’s niet langs een ontwikkelcentra hoeven.

Daar gaat ze dus…
Na jarenlange trouwe dienst.
Het laatste jaar konden de deuren niet meer op slot. Zij heeft op de meest gekke parkeerplaatsen gestaan met gewoon open deuren. Binnenland, buitenland, bij winkels of op de parkeerplaats bij mijn werk.
Nooit ingebroken. Nooit door een ander meegenomen.
Zij was ook altijd omringd door mooiere en nieuwere natuurlijk.

Ook het zijraampje aan de bestuurderskant wilde niet meer open.
Heel lastig als je bij een parkeerpaal komt en een kaartje moet trekken. Ik moest haar dan een beetje scheef rijden, zodat mijn deur open lukte en ik langs die open deur klunzig een kaartje kon trekken. Het vergde wel wat oefening en het zag er aanvankelijk onhandig uit, maar ik raakte er bedreven in.
Wel zag ik de bestuurders achter mij de wenkbrauwen ophalen en ik kon ze bijna horen denken: ach ja, een vrouw achter ’t stuur!

Dat was mijn eer te na natuurlijk, dus gebaarde ik dan altijd (ook lastig) dat het raampje niet open wilde. Ik weet echt niet of dat wel duidelijk overkwam.
Misschien maakte ik het daar nog gekker van en hoogstwaarschijnlijk dachten ze:
Mens, schiet toch op. Stop met dat onnozele gedoe en die gekke gebaren!

Nou ja. Maakt niet meer uit. Het is niet meer nodig.
We hebben een nieuwe:

Een mooie witte!

Aal

Robijnen Huwelijk

Brom en ik zijn morgen – 8 mei – veertig jaar getrouwd!
Veertig jaar lief en leed.
Wat is 40 jaar verschrikkelijk lang als je ervoor staat.
Maar waar is al die tijd gebleven als je er achter staat?
Weg.
Gewoon weg.

Zo in deze week van veel herdenken, gaan onze (lees ‘mijn’) gedachten terug naar de dag van toen.
En ach, wat waren we nog jong. En slank. En verliefd.
Aandoenlijk.
En de toekomst zag er helemáál zonnig uit.
Veelbelovend.
Rooskleurig.
Sprookjesachtig zelfs.

Ja…
Want we zouden het heel anders aanpakken dan onze ouders.
Beide ouderstellen waren inmiddels meer dan 25 jaar getrouwd.
Oja, ze hielden nog veel van elkaar.
Maar het spatte niet meer.
Het was zo gewoon. Zo alledaags.
Gezapig.
Dat wilden wij niet.

We gaven een heel groot feest.
Brom’s donkerblauwe Mercedes was onze trouwauto. Prachtig versierd met bloemen voorop en achterin op de hoedenplank. Witte strikjes aan de antenne…
We hadden geen chauffeur, want ik had bedacht dat het zo superromantisch zou zijn alleen met Brom in de auto te zitten.
Alleen met de man van mijn dromen.
Geen luistervink erbij.
We konden dan rijdend van de ene naar de volgende lokatie alles wat we maar wilden tegen elkaar zeggen.
(Ik kan me geen woord meer herinneren)

Overdag waren er zo’n 60 gasten en ’s avonds hadden we 300 man op de bruiloft.
Dat kon gewoon.
Dik feest.
Muziek, komische sketchjes en de polonaise.
Mijn tante zei na afloop tegen ons: “Het was een fantastisch feest. Ik hoop dat jullie huwelijk net zo geweldig mooi zal zijn. Veel echtparen steken vandaag de dag meer energie in hun huwelijksdag dan in hun huwelijk.”
Dat waren wij niet van plan.
Wij zouden blijven bruisen.

Met de Mercedes vol cadeaus, bloemen en enveloppen reden we ’s nachts naar ons ‘nieuwe’ huisje.
En een sliert nog niet uitgefeeste gasten achter ons aan.
Ik zeg ‘huisje’, niet voor de romantiek, maar het was echt een klein huisje.
Gelegen in Loozen, een gehuchtje tussen Gramsbergen en Hardenberg.
Midden op het platteland. Aan de ene kant van ons huisje stond een grote boerderij, aan de andere kant een beekje. De bekke.
Voor Brom en mij was het ook een verhuizing naar een nieuwe plek. We trouwden allebei zogezegd ‘uit ons ouderlijk huis’.

En nu is dat morgen 40 jaar geleden.
Zovéél jaren samen.
Met véél meer lief dan leed. Als ik hoor van de diepe dalen waar andere echtparen soms doorheen moeten gaan, word ik stil en dankbaar.
Wij hadden natuurlijk ook zo onze strubbelingen en schermutselingen. En ook wel eens slaande deuren. Maar dat was het dan ook wel.

De hoogtepunten in ons huwelijk waren de geboortes van onze kinderen. Nou ja, niet de geboortes op zich, dat snappen jullie. Die waren overweldigend en heftig, maar de baby die ik daarna in mijn armen kreeg, deed ons overstromen van geluk. Ze waren ook nog eens – hoe bestaat het – de allermooiste en liefste van de héle wereld!

“Zeg Brom, wat vind jij er nou van? Véértig jaar getrouwd? Wij?”
“Tja…”
“Zou je ’t weer overdoen?”
“Ik denk het wel.”
“Wat vind je nou mijn allerslechtste en allerbeste eigenschap?”
“Wat vraag je toch veel.”
“Nou zeg het eens…”
“Je slechtste is dat harde niezen van jou.”
Ik kan mijn lachen gelukkig inhouden. Ik zie hem voor me: van schrik omhoog schieten uit zijn stoel als ik nies. “Ow. Ok. En mijn beste?”
“Dat je overal een mening over hebt.”
“Echt?”
“Ja.”
(Naar mijn lijstje wordt niet gevraagd)

“Zeg Brom, weet je hoe ze dat noemen een veertigjarig huwelijk?”
“Nee.”
“Robijn!”
“Robijn?”
“Ja. Als je 12½ jaar getrouwd bent is het koper, 25 jaar noemen ze zilver en 50 is goud…”
“Is dat niet van die reclame?”
“Wat? Luister je wel?”
“Robijn?”
“Nee joh, dat is toch een soort edelsteen! Zo’n prachtige zeldzame ruwe diamant.”
“O, ik moest aan die reclame denken..”
“Welke?”
“Aan die van robijn: wat mooi is, moet mooi blijven.”
“Ach gekkerd.”

Brom heeft misschien wel gelijk. En past die wasverzachter beter bij ons dan die edelsteen.
Volgens mij bruist dat spul ook nog.
Nou ja, een beetje dan.

Aal

Gordijnen II

Blij en opgelucht kom ik thuis.
Zonder gordijnen.
“Wat wil je nou dan?” vraagt Brom.
“Even genieten van mijn geld terug en straks lekker struinen op marktplaats.”
Dat struinen valt niet mee.
Er zijn zoveel, kleuren zijn vaak moeilijk te zien, en zie ik leuke, zijn ze te klein of te kort…
“Ik ga morgen terug en haal van die kant en klare gordijnen. Die vond ik ook eigenlijk heel mooi. En niet duur.”
“Moet je doen,” zegt Brom.
De volgende dag ga ik vol goede moed opnieuw naar ‘mijn’ winkel.
Ik weet nu precies waar ik moet zijn en stap op de schappen af met kant en klare gordijnen.
Kijk nou, super mooi, precies de goeie kleur, niet duur en ik blij.
“Als je me zou willen helpen met afmeten en zo…” vraag ik Brom thuisgekomen.
Hij meet en ik leg de kolossale lappen op de tafel.
Dat past natuurlijk niet.
Lastig. Het schuift ook steeds. We gebruiken de stoelen als extra opvang. De achterkamer is één en al gordijn. En wij lopen er beiden gewapend met een meetlat om heen.
Na veel gereken, denkwerk en onenigheid komen we eruit waar ik moet knippen. Er moet uiteraard 4 cm. voor de zoom. En we hebben 3 van die lappen. Brom gaat er vanuit dat je niet kan vertrouwen dat ze allemaal precies dezelfde lengte hebben, dus gaan we 3 keer mopperen en meten.
Ik haal de strijkplank met ijzer van boven.
“Dit gaat ons lukken toch?”
“Heb je dit al eerder gedaan?”
“Nog nooit, maar volgens de winkeljuffrouw is ’t een fluitje van een cent.”
“Hm.” doet Brom.
“We kunnen dit,” zeg ik.
Brom staat op het trapje de roede te bevestigen en ik knip.
Ik lees de beschrijving van het strijktape en begin te strijken.
En te strijken en te strijken…
Ik druk steeds harder en zet het ijzer op de hoogste stand.
De ene kant plakt maar de andere niet.
Brom kijkt op me neer en vraagt: “Lukt ‘t?”
“Het plakt niet! Het zal wel een ouwe voorraad zijn waarvan de plak is opgedroogd. Heb ik weer.”
“Altijd éérst de schuld bij jezelf zoeken.”
“Wat doe ik nou fout dan? Kijk, hier staat het: plakrand tussen zoom leggen, strijken en klaar.”
Brom daalt neer en kijkt.
“Moet je niet die witte strook eraf halen?”
“Huh?”
Brom begint te trekken aan de strook en warempel daar gaatie.
“Ggggg, wat ’n idioot gedoe! Waarom zetten ze dat er niet bij? Hoe moet ik dat weten?”
“Strijk nou maar, straks droogt het op…” zegt Brom schuddekoppend.
Ik blijf er natuurlijk nog een poosje over doormekkeren.
Stom gedoe. Moeten ze er toch gewoon bijzetten!
Ik durf te beweren dat er veel meer mensen zijn die strijken met de witte strook er nog aan. Nou ja, in elk geval een aantal. Vast een heel aantal.
Echt belachelijk dat het niet op de gebruiksaanwijzing staat.
“Hou d’r nou toch over op,” zegt Brom.
“Vind jij het niet stom dan?”
“Heel stom.”

De gordijnen hangen. Ik ben dolenthousiast.
Brom ook.
Nu naar boven voor de slaapkamers.
Ook daarvoor heb ik van die strijkzoomgordijnen gekocht. En grijzige vitrage.
Maar als ik boven kom en de vitrage voor de ramen houd, begin ik te twijfelen en vraag ik Brom of hij het wel mooi vindt.
“Ja. Mooi.”
“Ik weet het niet. Misschien moet ik toch gewoon witte vitrage nemen…”
“Dan moet je het gaan ruilen.”
“Kan ik ook die dure roedes weer terug doen en koop ik vitrage die ik er op deze haakjes aan kan zetten. Scheelt een hoop gedoe.”
“Je moet het zelf weten.”
Opeens weet ik het zeker. Roedes terug. Vitrage terug.
Wat prettig als je zeker weet wat je wilt.
Ik naar beneden. Op zoek naar de bon.
Zit niet meer in de tas.
Ook niet ergens op tafel of een kastje of aanrecht.
In mijn portemonnee: nee.
O, in de auto vast nog.
Op m’n knieën door de auto.
Niet in ’t tussenvakje. Niet op dashboard. Op de grond. Achterin. Nergens.
“Waar kan die bon nou zijn?”
“In je jaszak?”
Oja, dat kan ook nog.
Nee, niet in jaszak. Of broekzak.
Naar boven. Toch misschien uit de tas gevallen?
Onder ’t bed. Nee. Op de vensterbank. Ook niet.
“Ik kan ‘m nérgens vinden.”
“Moet toch ergens zijn. Waar láát je dat dan?”
“Geen idee. Moet toch echt gewoon zomaar ergens liggen…Of heb ik ‘m dan soms weggegooid? Per ongeluk dan.”
Op de kop in de pedaalemmer.
Een heel grote en die zit bijna vol natuurlijk.
Bah, wat stinkt dat. En wat smerig.
Even handschoenen aan. Vieze prut.
Laat ik het gelijk in de container gooien.
Tot de bodem ga ik.
Geen bonnetje.
“Ga dan zonder bon. Ze geloven je vast wel.”
“Dat vind ik zó vervelend!”
“Gewoon doen. Nee heb je.”
“Bah.”
Zonder bon, maar met 4 vitrages, lange roedes en bevestigingsdopjes ga ik opnieuw naar ‘mijn winkel’.
Balen en een beetje zenuwachtig stap ik af op de winkeljuffrouw.
“Kijk, dit heb ik gekocht, en nu wil ik het graag ruilen. Maar ik ben de bon kwijt, stom natuurlijk, heel stom, alles op de kop gehad. Nergens…”
Ze haalt even hoorbaar diep adem.
“Even mijn bazin erbij halen.”
Ik wacht. Voel nogmaals in m’n zakken.
Daar komt ze. Met bazin.
“Wat is hier aan de hand?”
“Ik wil graag ruilen, maar ben het bonnetje kwijt.”
“Bonnetje kwijt?”
“Ja, dom he? Zo stom van mij. Chaoot die ik ben.”
Diepe zucht en dan richt ze zich tot de winkeljuffrouw en zegt:
“Nou, dan moet je eerst een bon maken.”
Die slaat wat aan op de kassa.
“Nee-hee. Niet dát. Dáár.”
“Sorry. O, deze bedoel je.”
“Nééhee. Laat mij maar,” en ze duwt de juffrouw aan de kant.
Vervolgens gaat zij verwoed op die kassa staan tikken en snauwt: “Zie je nou ook wat ik doe?”
“Uh uh, ja ik zie het,” zegt het meisje.
“Kijk, en dan zóóó en zóóó en dan deze knop?! Zie je ‘t?!”
“Ja,” zegt het arme kind en ze knikt met d’r hoofd.
Ik probeer ondertussen nonchalant te doen en doe ook net of de hele conversatie aan mij voorbijgaat. Ik besef maar al te goed dat ik de reden ben van deze schermutseling.
Ik wil eigenlijk opnieuw iets stamelen van ‘och, och wat een domme tut ben ik ook he?’ maar als ik die kop en de frustratie van de bazin observeer, ben ik bang dat als ik iets zeg, wat het ook is, ik ook een dikke lik uit de pan krijg.
En het lijkt er heel erg op dat ik mijn geld terugkrijg, dus laat ik dat niet op het spel zetten en me rustig houden.

Na wel heel lange 10 minuten is het geruil gelukt.
Ik heb m’n geld weer en de bazin pakt zonder iets te zeggen de lange roedes, de knopjes en de vitrages.
“Dank u wel,” zeg ik en maak dat ik bovenkom.
Op zoek naar andere vitrage.
Ik zoek. Ik kijk. En vergelijk.
En begin steeds meer in te zien dat ik eigenlijk een heel goede keus had gemaakt.
Het waren kant en klare. Ik hoefde alleen maar een zoom erin te strijken…
Als ik nou iets van de rol koop, moet ik aan ’t naaien. En dat kan ik eigenlijk helemaal niet. Ik heb niet eens een naaimachine…
Ik voel me nu ik het schrijf weer net zo ongeloof’lijk onnozel als ik me daar toen voelde.
Want ik kom tot de conclusie dat de vitrage die ik net ruilde de perfecte vitrage was.
Die wil ik gewoon weer terug.
Maar ik durf echt niet naar beneden en te zeggen: “Hier is die domme tut weer. Ik heb me bedacht. Ik wil het toch graag allemaal weer mee…”
Hoe ga ik dat aanpakken?
Ik pak de 4 vitrages uit het rek. En stop ze in mijn mandje.
Dezelfde.
Exact dezelfde.
De roedes?
Nee, dat durf ik niet. Die passen niet in het mandje.
En ik ga beslist die trap niet af met die lange roedes in mijn hand.
Voor geen goud.
Beneden sluit ik me aan bij de kassa met een heel nieuwe juffrouw. M’n hart bonkend in m’n keel.
Gauw afrekenen en weg.
Ik voel me net een crimineel.

“Gelukt?” vraagt Brom.
“Ja.”
“Mooi.”
“Wil je me helpen met het ophangen?”
“Tuurlijk.”
“Heb jij nog iets in de schuur liggen waaraan ik deze vitrage kan op hangen?”
“Huh? Heb je geen roedes?”
“Nee…”

Ik sla het gehannes en gezeur over.
De vitrage hangt.
Aan oude verwarmingsbuizen.

Aal

In de gordijnen

Och jongens toch, ik durf het bijna niet te schrijven.
Maar het is m’n enige inspiratie deze keer.
Dus het is niet anders.
Wel beschamend.
Want soms is het gewoon heel gênant mij te zijn.

Ik zit helemaal in de gordijnen. Al een week.
Het is hoog tijd voor nieuwe gordijnen in de achterkamer.
Wat er nu hangt, kan echt niet meer.
Ze hangen voor het raam – nogal logisch – en de tuindeur.
Al vijfentwintig jaar.
Ze zijn verstaft of hoe zeg je dat.
Een frisse wasbeurt gaan ze niet overleven.
Er zitten scheuren in en als je een beetje trekt, komen er nog meer scheuren in.
Zelfs Brom vindt het niet meer kunnen.
Braggel, zegt hij.
Een goed moment om nieuwe te kopen.
Daar ga ik dan. Brom gaat niet mee.
Eigenlijk is dat ook niks als’tie meegaat.
Ik zie het voor me.
Hij gaat om me heen lopen zuchten, terwijl ik door de rekken ga.
Als ’t tegenzit ook nog trommelen met z’n vingers.
Vanwege die zichtbaar demonstrerende weerzin van hem, kan ik niet meer goed nadenken.
Al helemaal geen goede keuze maken.
Gaat-ie ook altijd nog vragen of ik nou al weet wat ik wil.
Of in elk geval of ik wil opschieten.
Ja, hij vindt het mooi. Ja, en die is ook mooi.
Ze zijn allebei mooi.
Eigenlijk zijn ze allemáál mooi.
Kies er gewoon één.
Wat maakt het nou uit wat er komt te hangen?
Doe niet zo moeilijk, Aal.
Maak er niet zo’n probleem van.
Als er maar iets hangt.
Alles beter dan wat er nu hangt.
Kan niet missen.
Pak de goedkoopste.
En als die je niet aanstaat, pak je die dure.
Voor mijn part de allerduurste.
Als we hier maar weg kunnen.

Ik ga dus alleen. Naar zo’n winkel waar ze van alles te koop hebben.
Bankstellen, bedden, tafels, lampen, kortom teveel om op te noemen.
Voor gordijnen moet ik naar de 1e verdieping.
Ondertussen heb ik ook nog besloten dat ik voor de slaapkamer nieuwe gordijnen wil. Dat hangt ook al jaren. Eigenlijk net zo lang als die in de achterkamer. Het is niet eens een gordijn, maar een dekbedovertrek. Het streepje paste precies bij het interieur. Nu wil ik wat anders. Hipper. Eigentijdser.
Ik pak mijn briefje met de afmetingen en begin enthousiast tussen de stalen te neuzen. Wat hebben ze veel. Ik kijk en zoek.
Gelukkig weet ik ongeveer wat ik hebben wil. Het moet iets van een zandkleur worden. Kan ik heerlijk heel veel overslaan.
Laat ik toch maar de verkoopster erbij halen, want ik heb wel de maten, maar er moet zo’n formule op losgelaten worden, van 1½ of 2 keer:
Altijd lastig, dat rekenen.
Ze helpt me geweldig en vindt mijn uitgekozen gordijnen ook mooi. Ze slaat aan ’t berekenen en komt op een bedrag van 312 euro.
Ik schrik.
“Best veel,” zeg ik.
“Maar dan zijn ze helemaal klaar, hè? Hoef je zelf niks te doen.”
Is ook zo, denk ik.
“Toe maar dan,” zeg ik.
Ik moet de bon ondertekenen en vooruit betalen.
Laat ik dan maar bezuinigen op de slaapkamergordijnen.
Dus kijk ik bij de niet eerder ontdekte kant-, en klaargordijnen.
Zitten ook best leuke tussen. Erg leuke zelfs. En helemaal niet duur.
“Hoe werkt dat met zo’n strijkband?” vraag ik.
“Héél eenvoudig. Je legt die strijkband tussen het omgevouwen gordijn en hup, strijkijzer erover en klaar is Kees.”
“Klinkt alsof ik het ook kan.”
“Tuurlijk kan je dat.”
“En bovenin zitten oogjes, ik heb nu haakjes, moet ik zeker ook zo’n stok hebben.”
“Ja, maar die verkopen we ook wel.”
“Doe me de goedkoopste maar dan.”
“Dat zou ik niet doen, die gordijnen zijn te zwaar voor de dunne.”
“Dat zal wel weer ja.”
“Kijk deze, 13 euro per stuk. Je moet er 3 hebben en dit 6x erbij voor het bevestigen. Die zijn maar 4 euro per stuk.”
“Tja. Het moet toch geld kosten vandaag.”
Onderweg naar huis denk ik na over mijn bestelde gordijnen. Toch niet slim van mij om ze op 2 verschillende hoogtes te laten maken, zoals we dat hadden met die oude gordijnen. Voor het raam zat een kortere dan voor de deur. Nee, nou moet ik het goed doen. Alles in dezelfde lengte. Want wie weet gaan we ooit dat bureau nog eens verslepen en dan is ’t echt geen kijk…
Op de rotonde draai ik een ronde.
“Sorry mevrouw, ik zou graag nog iets willen veranderen aan de bestelling. Kan dat nog?”
“Ja, dat kan nog. Zeg het maar.”
Komt er 68 euro bij.
Oeps. Maar ja, wordt het wel heel mooi.
Zegt ook de winkeljuffrouw.

Ik kom thuis met vitrages, overgordijnen, roedes en een afhaalbon voor de achterkamergordijnen.
“Tevreden?” vraagt Brom.
“Super tevreden. Maar tjonge jonge zeg, de prijzen zijn in 25 jaar nogal gestegen. Vooral als je het optelt.”
“Als je er maar blij mee bent. En we hoeven in 25 jaar niet weer, toch?”
“Dunkt mij ook niet. Dan zijn we 90… Maar Brom, alleen voor deze kamer meer dan 300 piek en het duurt ook nog es 6 weken voor ze klaar zijn.”
“Hebben we niet nog een leuk dekbedovertrek?”
Pats, die kwam binnen en ja hoor, daar sloeg de twijfel toe.
Wat deed ik toch?
Eigenlijk had ik ook de veel goedkopere kant en klare gordijnen kunnen doen. Of op marktplaats gaan kijken. Een waanzinnige hoeveelheid keus. En veel en veel goedkoper, zie ik. En direkt op te hangen.
Och. Wat dom van mij.
Had ik toch èèrst moeten doen.
Ik krijg met snel stijgende lijn enorme spijt van mijn gordijnenbestelling.
“Zou ik het nog kunnen afzeggen?”
“Hoe kan ik dat weten? Moet je ze bellen.”
“Bah.”
Op internet is er alleen een overkoepelend landelijk nummer te vinden.
Na 20 minuten in de wacht, kan ik mijn verhaal kwijt.
Ze weet niet of ik nog kan annuleren, maar gaat me doorverbinden met ‘mijn’ filiaal.
Weer in de wacht…
Ondertussen krabbel ik rondjes op een papier en schrijf 100 x ‘ik zou heel graag de bestelling willen annuleren’.
Dan plots is er een juffrouw aan de telefoon en weet ik niet meer wat ik wou zeggen. Ik herstel me – sorry hoor – en lees mijn opgeschreven zin voor. Ik moet naar de zaak komen. Voor half 6. En opnieuw een papier tekenen.
Het is 10 over 5. Ik haal het nèt.
Weer sorry, sorry hoor. Lastige klant ben ik toch, hè.
Valt mee, zegt ze.
Ik krijg m’n geld terug en een vervangende bon waarop de rest van mijn gordijnen, vitrages en roedes staan.
Blij en opgelucht verlaat ik het pand.

Tot zover.
Ik bleef niet blij.
Dat vertel ik in mijn volgende blog.
Hoe ik zelfs Brom in de gordijnen kreeg…

Aal