Die éne sok

Begrijpen doe ik het ook niet.
Waar zit toch het probleem met die éne sok?
Heerlijk ontspannen ben ik nietsvermoedend mijn wasje fluitend aan het vouwen en dan opeens aan het eind houd ik één sok over.
Huh?
Dat kan toch niet.
Ik kijk rond.
Gevallen?
Nee.
Terug naar de droger.
Nee.
De wasmachine. Even ronddraaien en graaien.
Nee.
Nog in de wasmand?
Ook niet.
Dan maar even boven kijken. Ligt natuurlijk onder het bed, in een schoen of zomaar ergens op de grond.
Niet dus. Nergens.
Dat kijken onder ’t bed gaat ook niet meer zoals voorheen. Eerst buig ik mij heel diep, dan moet ik me vastgrijpen om niet voorover te duikelen en besluit dan – noodgedwongen – plat op de vloer te gaan liggen.
Daarna weer omhoog. Ook heel anders dan vroeger.
Teleurgesteld ook nog: geen sok.
Ik snap er niks van.
Toen de kinderen nog allemaal thuis woonden was het probleem er ook al. Maar ja, dan kun je het begrijpen. Logisch. Chaos alom.
Dat ze sowieso gezond uit hun kamers tevoorschijn kwamen was al een onverklaarbare gebeurtenis. Over passende sokken maar te zwijgen.
Ik had een mand op de overloop gezet met de eenlingsokken. Die raakte alleen maar voller. Ik kan me ook niet heugen ooit een teruggevonden verdwenen sok weer herenigd te hebben met een sok uit die mand.
Dus kocht ik maar es weer zo’n pakket sokken. Met vijf stuks tegelijk. Allemaal zwart. Dat zou het probleem vereenvoudigen. Maar die vijf nieuwe paren hadden allemaal een net ander wit kriebeltje aan de zijkant dan de vorige bundel die ik kocht.
Hield ik dus drie sokken over met verschillende kriebeltjes.
Gek genoeg verdwenen ook de felgekleurde, de gestippelde en zij met een fraai motiefje. Nooit tegelijk, altijd zoals gebruikelijk één voor één.
Ik besefte bij het aanschouwen van die volle mand op de overloop dat er van overal in ons huis nog zo’n mand te vullen moest zijn met de verdwenen exemplaren.
Onbegrijpelijk.
Niemand komt toch thuis met nog maar één sok aan.
Hoogstwaarschijnlijk verdwijnen er ook broeken en shirts, maar hebben we ’t niet door omdat er geen twee van zijn.

Op de verjaardag van mijn nichtje deze week kregen wij ’t erover.
Tot mijn verbazing kenden ze bijna allemaal het sokkenverschijnsel. En daar zitten heel gerenommeerde huisvrouwen bij. Echte Mientjes Dobbelstenen.
Uiteraard was er ook een vrouw bij, die daar nooit last van had.
Ze schudde haar wijze sokkenhoofd en keek ons ’n beetje meewarig aan.
Welnee. Geen verdwaalde of verdwenen sokken bij haar thuis. Kinderen ook goed geinstrueerd: altijd twéé sokken in de wasmand! Netjes in elkaar gevouwen. Dan heb je daar nóóit problemen mee. Eigenlijk Heel Simpel.
Opeens kreeg ik de moed mijn verhaal over een teruggevonden sok te vertellen.
Lang geleden.
Brom en ik waren nog maar net getrouwd.
Alles nieuw, alles mooi en een prachtig nieuwe wasmachine van mijn schoonouders gekregen.
Ik ging de was doen en net toen ik de machine had aangezet, zag ik in de hoek nog een sok van Brom liggen.
Ach! Die had erbij gemoeten!
Ik pakte de sok en stond er een beetje verloren mee in mijn handen.
Het deurtje van de machine wilde niet meer open.
Ik trok aan het zeepbakje en… ach natuurlijk!
Krijg ik een ongeloof’lijke brainwave: door het zeepbakje!
Immers het water en de zeep komen ook in de machine terecht!
Mijn intelligentie wil wel es met me aan de loop gaan.
Maar ik sta versteld van mezelf.
Het was even proppen met die sok, maar met beide wijsvingers duw ik als een dolle de sok door de nauwe spleet.
Zo.
Een paar weken later gaat de machine gek doen.
We hebben toch zeker nog garantie? vraag ik Brom.
Wat is er mis dan?
Geen idee, hij maakt kabaal en draait niet goed.
Ik kijk wel even.
Een dik uur later komt Brom beduusd beneden en zegt: het kan eigenlijk niet, maar raad jij eens wat ik vond áchter de trommel?
Geen idee, zeg ik.
Een sok!
Een sok?!
Ja, een sok!
Hoe kan dat nou?
Ik snap het ook niet, zegt hij en schudt zijn hoofd.
Ooooo, wacht es, een sók? Achter de trómmel? Ik ben stomverbaasd.
Wat? zegt Brom.
Nou een paar weken geleden deed ik een sok door het zeepbakje…
Dat méén je niet?! Dus jij deed dat?!
Ja, er lag nog een sok en toen bedacht ik in al mijn wijsheid die door het zeepbakje te doen! zeg ik trots.
Dat verzin je toch niet!
Ja Brom, echt zelf bedacht!
Maar súfferd, dat komt toch niet in de machine!
Het water en zeep dan?
Aál, ben je nou zo dom of doe je zo dom?
Hoezo dom?
Er zitten gaatjes in de trommel waardoor het water en de zeep kan! Maar geen sokken!
Och ja…!
Ach ja, soms breekt mijn intelligentie mij op.

de Zolder

Ik zit op zolder.
Al dagen.
Een heel eenzame toestand.
Alleen voor eten en slapen daal ik af.
Ik krijg niks mee van wat er in de wereld gebeurd.
Ik hoor niks en ik zie niks.
’n Slechte plek voor nieuwsgierige mensen.
Er is wel een klein raampje schuin in het dak; als ik iets wil zien, moet ik er pal voor gaan staan en eerlijk gezegd zie ik dan nog bijna niks, nou ja een half stukje van onze tuin dan, maar-daar-gebeurt-ook-niet-echt-iets.

Eindelijk was ik zover dat ik besloot dat de boel op zolder eens aangepakt moest worden.
Nou ja, het besluit lag er al járen, maar de daadkracht ontbrak.
Het was gewoon wachten op de juiste prikkel om de heldhaftige tocht naar boven te maken.
Een klus die ik maar bleef uitstellen.
Op zolder komt niemand. En op zolder woont niemand.
Dat kan ook niet.

Maar zo met de feestdagen in t verschiet, leek het mij de juiste tijd toe te slaan.
Onder het mom ‘de kerstboom moet ook weer van zolder en ik ben er dan toch, waarom dan niet even flink de handen uit de mouwen’ …
Ik ben écht geen huisvrouw ofwel geen echte, maar dat je van boven naar beneden moet werken, is ergens bij me blijven hangen.
Ik nam twee weken vrij van mijn werk en zag het helemaal voor me.
Van boven naar beneden.
Aan het eind van die weken zag ik me voldaan (vast wel moe, maar ach peanuts bij dat heerlijke opgeruimde gevoel) beneden de waskamer aanvegen.
Veeg veeg. Klaar klaar.
Als sluitstuk. De finale.
De kerstboom en de lichtjes aan. Muziekje erbij en het feest kan beginnen.

Je hoeft echt geen medelijden met mij te krijgen, maar m’n vrije weken zijn voorbij en ik zit nog steeds op die uitzichtsloze zolder…
Ik heb me schromelijk vergist in de omvang van de klus.
Een bar slechte inschatting.

Brom zag het wel zitten mij te helpen.
Onder het motto ‘Alles kan weg’.
“Ik bestel een container, maak een glijplank door het raampje en je schuift de boel zo naar buiten de container in…”
Met deze woorden maakte hij zich in één klap ongeschikt. Kan ook zijn dat dat nou juist zijn bedoeling was. Dat weet ik niet. Daarover hebben we ’t verder niet gehad.
Wel hebben we de afspraak gemaakt dat hij mij niet opgeeft voor het t.v. programma ‘De bezem door je huis’ of iets van die strekking en ik hem niet voor ‘Help, mijn man is klusser’. Een goeie afspraak. Veilig.

Er is geen doorkomen aan.
Op die zolder.
Er is zoveel. Zo ontzettend veel.
En het is ook nog zo’n gróte zolder.
Volgens mij 15 meter lang (bij navraag 12) en overal schuine kanten, met deurtjes ervoor. Het staat barstensvol dozen gepakt, op, over, onder en naast elkaar. Afijn, een eindeloze massa dozen.

Niet dat ik iets spaar of zo.
Maar ik gooi niks weg.
En dan heb je na pakweg 60 jaar echt bulten bende.
Geloof me maar.
Een enorm kolossale verzameling van alles wat.

Krantenknipsels, o de wéreld aan krantenknipsels, (oudste knipsel uit 1964) plakboeken, schoolschriftjes, souvenirs, filmrolletjes, geboortekaartjes van mijn broers en zussen, van onze kinderen en van alles wat ons gestuurd werd, autootjes met en zonder wielen, dia’s, schoolkrantjes, feestgidsen, rapporten, stapel libelles oudste uit 1973, brieven, foto’s, getuigschriften, houten blokken, poppen met afgeknipte haren of zonder been of arm, ansichtkaarten, babyboeken, kindertekeningen, dagboeken en o wat schreef ik veel, echte dagboeken, maar ook schriften en multomappen vol, en wat een narigheid vroeger, met ellendepieken in de puberteit; ik krijg allemaal vlekken in m’n nek bij ’t overlezen, oude schoolagenda’s en waarom zeg ik nu opeens ‘oud’ alles is oud wat daar ligt, en och kijk nou: een spaarbankboekje van 63 jaar geleden, elk bedrag keurig netjes met een hand bijgeschreven (steeds een andere handschrift), ook de rente elk jaar, d.w.z. eind oktober, want dat was de spaarweek, dan stond heel klein Hardenberg met z’n spaarpot bij de bank in lange, lange rijen, want juist in die spaarweek kreeg je een cadeautje van de bank, ik geloof iets van een pen of zo en als je eindelijk aan de beurt was, ging de juffrouw van de bank met haar sleuteltje jouw spaarpot openmaken en vervolgens, o wonder en geweld: ze schudde de spaarpot leeg boven een machine die de inhoud ging tellen! alleen het muntgeld trouwens, maar briefjes zaten er bij ons niet in, wij keken onze ogen uit en onze monden vielen open vanwege die telmachine, wat een ontwikkeling, we konden amper geloven dat zoiets bestond, het kon toch bijna niet waar zijn, maar het was wel waar en uiteindelijk na 17 jaar had ik er 157,22 gulden op staan, maar nu staat er een ‘ongeldig’ stempel doorheen. Op elke bladzij. Zelfs voorop. Ook het doorgekraste telefoonnummer van de Boerenleenbank: 34. Dat werd 613. Ik zal ze es bellen, misschien is zo’n boekje nu heel wat waard.
Dat zou mooi zijn.
Want van de rest verwacht ik niet dat het iets oplevert.
En als ik met alles zo lang bezig ben, als met dat mijmeren met zo’n waardeloos spaarboekje in m’n hand, snap je wel dat het niet zo vlot met die zolder…

Ik wil de boel zo graag ordenen. Alles netjes bij elkaar.
Natuurlijk wel gewoon bewaren, maar dan weten waar het ligt.
En dat schiet een héél klein beetje op.
Ik heb inmiddels 19 stapels met uiteenlopende onderwerpen.
Eentje daarvan is kinderbriefjes…
Met hanepoten schreef Sjors: Liefe Sinteklaas, wilt u de vogende keer de deur dicht doen want onse hont (zo’n grote Berner sennen hadden we toen) heeft al onse pepenoten opgevreeten.
Of Sjoerd, ook aan Sint: Dit is een heel grapig boek U mag hem wel lesen maar wel weer trug brenge hoor!
Of Door aan de brandweercommandant: Ik hoorde dat papa geen vrij heeft op mijn verjaardag ik moes daar van huilen kunt u stiekum hem vrij geven???
Waarop Brom bij de commandant moest komen. Die hem vroeg wat hij moest met dat briefje. Dat hij helemaal niet ging over vrije dagen en zo. En waarom zo’n kind aan hem een briefje schreef…
Maar Brom wist niks van het briefje.
In gedachten zie ik ze zitten. Op het kantoor van de brandweercommandant.
Twee grote, stoere kerels met indrukwekkende pakken, strepen en sterren op de mouwen en de commandant met zo’n kneuterig gek kinderbriefje onhandig in zijn handen, elkaar ongemakkelijk vragend aankijkend, want geen van beide weten wat ze ermee moeten.
Mensenlevens redden dát doen ze.
24 uur per dag.
Bij een grote brand of een vreselijk ongeluk komen ze onmiddellijk in actie.
Zodra de toeter gaat, laten ze alles vallen en stormen op de klaarstaande auto’s af en rijden met grote spoed naar het onheil.
Helden zijn het.
Maar zo’n briefje…
Brom kreeg vrij.
Echte helden dus.

Aal

Gekte!

Complete gekte hier.
Er is niemand die nog normaal functioneert.
Zelfs Brom niet.
Ik was bezig met een totaal ander verhaal, maar kan me daarop helemaal niet meer concentreren…
En dat komt door de uitzending op t.v. van Sjors, inmiddels beter bekend als Gert-Jan.
Na lang wachten was daar èindelijk de uitzending.
En jawel hoor, 5 december.
Kan-dat-nou-even-niet-op-een-andere-avond, dacht ik bij mezelf, want daar ging onze Sinterklaasavond.
“Kunnen we dat sinterklaasgedoe er niet gewoon achteraan vieren?” vroeg Brom.
We staarden hem allemaal aan alsof we water zagen branden.
“Tuurlijk niet!”
“Wat denk je zelf?”
“Ben je gek?”
“Sorry hoor. Ik vroeg maar wat,” mompelde Brom.
Ik begreep zijn voorstel wel.
Alle tumult op één avond.
“Maar twéé mooie avonden is toch altijd nog leuker dan één,” zei ik.
“Wat je zegt,” zei Brom. “Twéé heerlijke avondjes…”

Het huis stroomt vol.
Al vroeg.
Want de uitzending begint om 5 vóór half acht.
“Groot kans dat ik er geen woord van versta,” moppert Brom, om zich heen kijkend naar de menigte kinders en kleinkinders.
“Maar iedereen wil graag ome Sjors zien. Gezéllig toch zo met ons allen,” fluister ik hem toe.
“Jaja.”
Iedereen zoekt een plek.
“En lieve kindertjes… stil zijn hè, we willen álles horen!” roep ik.
“Wie niet stil is, gaat de kamer uit!”
Dan begint de uitzending.
“Stíl jongens!”
We houden onze adem in.
O. Kijk nou! Daar is’tie!
Helemaal écht levensgroot op de televisie!!
We bulderen van het lachen. En de kinderen wijzen en roepen: “Ome Gert-Jan!”
“Ssssstt!”
De eerste woorden van Gert-Jan zijn al verloren gegaan.
“We kijken vanavond later samen nog een keer,” knik ik zachtjes naar Brom.

Dan komt zijn date aanlopen…
O, Gert-Jan! zeggen we.
Sssst. Stil nou.
We weten dat het niks is geworden, maar we zijn zó benieuwd naar het gesprek aan tafel.
Dat gaat goed. Tenminste, er vallen geen stiltes. En dat is best knap, want ze zijn twee heel verschillende types.
Zij wil waarschijnlijk wat niveau aanbrengen in het gesprek als zij hem vraagt wat hij het mooist vond in Barcelona.
Het stadion, zegt hij.
En in Newcastle?
Oók het stadion.
Onze voetbalgek.
Hij is wel zichzelf.

Van het terugkijken samen met Brom is niks terecht gekomen.
Want na de uitzending barst de commotie los.
Een heksenketel.
Er komen talloze appjes en telefoontjes.
Zelfs van mensen die we járen niet hebben gesproken.
Je gelooft het bijna niet wat zo’n uitzending teweeg brengt.
Gert-Jan krijgt het één na het andere vriendschapsverzoek.
First Dates plaatst een filmpje van zijn date op hun facebooksite (first dates nl) en daar komen de reacties…
En die blijven maar binnenstromen.
We lezen elkaar de grappigste opmerkingen voor.
En we hebben de grootste lol.
Wat kunnen mensen toch ontzettend vermakelijke opmerkingen plaatsen.
We krijgen tranen van het lachen.
Het filmpje werd inmiddels al meer dan 227.000 keer bekeken.
Wij vinden dat heel veel.

“En mam…ik heb een verrassing voor je!” zegt Gert-Jan.
“Jij? Voor míj?”
“Ja, ik heb je verhaal van ‘First dates’ opgestuurd en ik krijg nu net een berichtje dat ze het gaan plaatsen op hun site!”
“Dat méén je niet!”
Ik dans door de kamer.
“Wat gewéldig!” roep ik.
Ik groei ervan. Mijn verhaal op First Dates!
“Krijg jij natuurlijk ook reacties!”
“Já! O, wat gááf! Fantastisch!”
Ik dans nog steeds.
Een bereik van 41.000!
Wouw!
Daar zijn de eerste reacties al.
Ik kan ze van opwinding helemaal niet lezen.
“Toe, lees es voor!”

“Die moeder…en dan gek vinden dat haar zoon nog single is…”
“Arme jongen met zo’n moeder..”
“Misschien iets te opdringerige moeder!”
“Daar word je toch bang van, van zo’n bemoeizuchtige schoonmoeder!”

“Stop maar,” zeg ik, “ik kan ze inmiddels zelf wel lezen.”
Ik kom weer een beetje tot mezelf.
Het dansen en de opwinding voorbij.
“Ach, déze is nog leuk,” roept Gert-Jan.
“Welke?”
“Wat een zeikmoeder…!”

Aal.

Weer oma

Midden in de nacht gaat de telefoon.
Ik ben in diepe slaap.
Op de een of andere wijze ontstaat er dan zo’n zwak sluimerende toestand waarbij ik slechts vaag het kabaal waarneem, maar nog niet nadenk, behalve ‘kan dit onmiddellijk ophouden.’

Dan zomaar opeens komt het besef dat het de telefoon is en heb ik ’t idee dattie al de hele nacht staat te rammelen.
Dan word ik echt wakker.
Kwart over twéé.
O, Ana natuurlijk!
Ik zal daar gaan oppassen als ze naar het ziekenhuis moet om te bevallen!
Och, die stakker, denk ik, want weeën krijgen me nog altijd aan het sidderen.
“Ha lieverd,” fluister ik.
“Haai mam”, fluistert ze terug, “het is begonnen hoor.”
“O, écht?” vraag ik zachtjes en onnozel, alsof ze me vaker midden in de nacht voor de gek zit te houden.
“Kom je?”
“Ik kom eraan.”

“Wawwasdat?” bromt Brom.
“Dat was Ana, de weeën zijn begonnen.”
“Midden in de nacht?!”
“Ja Brom, midden in de nacht! Dat kan toch gewoon? Dat is bij mij…”
“Asjebliéft!” kermt Brom en duikt nog dieper onder de dekens.
“Géén bevallingen. Ik wil slapen.”

Ik schiet in mijn kleren en stap in de auto.
Het is een snert-eindje, maar zo midden in de nacht en met zoveel haast pak ik zonder wroeging de auto.
Niet dat ik daar wel eens over wroeg, maar nu helemaal niet.

Ze staan al in de hal met een tas. We begroetten elkaar fluisterend. Ana zegt dat ik wel in hun bed verder mag slapen. Dat is schoon. Dan komt er een wee. Oef, ik voel ‘m ook. Bah. Ik weet dan ook nooit goed wat ik moet zeggen. Je zegt zo gauw iets verkeerds. Zeker midden in zo’n wee, dan is alles fout.
“Ga maar gauw,” zeg ik.
Na de wee.

Natuurlijk ga ik niet weer naar bed. Dat zou toch echt als verraad voelen.
Mijn kind in snerpende weeen en ik lekker ontspannen liggen.
Nee, ik doe geen oog meer dicht.
Koppen koffie, spanning, ijsberen…
Het heeft wèl wat, moet ik zeggen, dat nachtelijke.
Alles in rust. (Behalve Ana, denk ik)
Het oppassen is zo ook een fluitje van een cent.
Alle kinderen nog heerlijk aan ’t slapen.
Geen lawaai, eten, plassen, drinken of ruzies beslechten.

Ik kijk naar de klok.
Bijna half 4…
Wacht op berichtjes…
Pak mijn meegebrachte boek en lees de eerste bladzij wel 5 keer en heb dan nog steeds geen idee waar ’t over gaat.
Ik leg ‘m weg en kijk weer naar buiten.
Dan weer naar de klok.
Tjonge zeg, dat schiet ook al niet op.

Ik zie langzaamaan de stad ontwaken.
Her en der gaan lichtjes branden en het verkeer komt op gang. Wat wonen ze hier toch fantastisch in dit bovenhuis aan een heel drukke straat.
Prachtig.
Er is zóveel te zien.
Dat is nog es wat anders dan bij ons in het laatste huis aan een doodlopende straat…
Ik schuif de schommelstoel voor ’t raam en pak nog een verse bak koffie en betrap me dan erop dat ik bijna aan ’t genieten ben.
Ik schrik ervan. Want dat voelt wel echt heel vals.
Ach, die arme Ana toch. En het wordt alleen maar gekker natuurlijk met die weeën. Bah.
Hoe zou ’t zijn?
En hoe vér zou ze zijn?
Eigenlijk wel heel bijzonder, denk ik, dat je midden in de nacht zit te wachten op een berichtje met een aantal centimeters…

Ik schommel maar weer door.
En pak mijn boek.

Dan hoor ik de voordeur.
Daar komt dochter Dora binnen. Ik kijk verrast op.
“Hé, wat leuk zeg! Goeiemorgen!” fluister ik.
“Goeie morgen mam!” fluistert ze terug. “Ja, ik dacht, mama zit daar maar alleen en ik kon ook niet meer slapen na de berichtjes in onze app dat ze begonnen was. Al iets gehoord trouwens?”
“Nee.”
“Dan gaan we even appen hoor. We willen toch wel weten hoe ver ’t is.” zegt ze zachtjes.
“Ja, goed idee!” en steek m’n duim omhoog.
Trots kijk ik naar Dora.
Wat ’n doortastende dochter heb ik toch. En vraag me af hoe ik daar aan kom.
“O, mam, al 6 centimeter!”
“Och toch. ’t Arme kind.”
Ik had gehoopt op meer.

Dan komen de kinderen één voor één uit bed.
Lekker slaperige koppies en helemaal verbaasd dat ik er ben.
En tante Dora.
Dan opeens roept Noah: “Ik wéét het!”
“Ik óók!” zegt Ruben, en voordat iemand anders iets kan zeggen, roept hij opgewonden: “Papa en mama zijn naar het ziekenhuis, want de baby gaat eruit komen!”
“Ja, jongens, dat klopt! Spannend hè?!”
“Yes, yes, yesss!”
Ze dansen door de kamer.

Gedaan met de rust.
Aankleden, helpen met wassen en plassen, ontbijten.
De kinderen zijn door het dolle heen.
Opgewonden vertellen ze ons van alles door elkaar heen.
Hoe ze hebben geslapen en gedroomd.
Welke kleren ze aan willen en wat op hun brood.
Het grote voordeel van dit tumult is dat de tijd sneller gaat.

Dora heeft van alles meegenomen. Slingers, gekleurd papier, stickers, stiften.
Ze zet de kinderen aan tafel en ze mogen een tekening maken die we straks gaan ophangen, zegt Door.
Voor de nieuwe baby.
Die Door toch.
Goed voorbereid.

En…dáár is het verlossende telefoontje.
Er is een prachtig mooi gezond broertje geboren!
Ruim 9 pond.
Een zware jongen erbij in de familie.
We springen joelend rond.
De kinderen zijn vooral benieuwd hoe het jongetje gaat heten.
Wij ook trouwens.
We bedenken allemaal leuke en gekke namen en lachen ons slap.

Inmiddels is het ventje al ruim een half jaar.
Hij loopt nog niet, maar is wel zindelijk.
Tenminste, de poepjes, die doet hij netjes op het potje.
Ik sta er met open mond bij te kijken.
Toen ze mij jaren geleden aan de telefoon vroeg hoe dat ging met zindelijk en zo, zei ik “Ach meid, nu nog niet joh, dat komt vanzelf.”
En ik dacht aan mijn eigen kinderen die zo rond hun 3e zindelijk waren. Of later zelfs nog, ik moest met één van onze kinderen haast maken omdat hij al bijna naar de kleuterschool ging…
“Hier in Peru zijn alle kinderen zindelijk voor hun eerste verjaardag.”
“Dat kan toch niet!”
“Ze zijn echt allemaal zindelijk, mam.”
“Hoe kan dat dan? Die kindertjes snappen er immers niks van? Je moet ze toch vertellen waarmee je bezig bent…”
“Dat snappen ze wel hoor. Een hond krijg je toch ook zindelijk.”
“Noh, een hónd…!”
“En afrikaanse vrouwen dan, die dragen het kind op de rug. Die kinderen zijn dan ook allemaal zindelijk hoor. Je denkt toch niet dat die moeders zich de rug laten onder schijten?”
“Nee …”
Ik wist steeds minder te zeggen. Ik had er zelfs nog nóóit over nagedacht.
Die andere culturen ook.
“Nou lieverd, dan vraag je maar één van die wondermoeders daar, die kan het je vast haarfijn uitleggen. Want ik heb geen idee. Wij deden ze gewoon een luier om…”
“Hoor je ook wat je zegt?”
“Wat bedoel je?”
“Luier. Jij zegt luier.”
“Ja. Zo heet dat toch?”
“Precies. Misschien snap je nu wel waarom dat zo heet.”
“Ik hou van je.”
“Haha mam, ik hou ook van jou.”
“En dat is het belangrijkste toch? Al kun je dan niet veel van me leren op gebied van doortastendheid, goede voorbereiding of zindelijkheid…”
“Geeft niks mam.”
“Want er zijn ook moeders die helemaal niet van hun kinderen houden! Nee, niet veel. Maar ze zijn er wel.”
“Gelijk heb je. Maar daar ben jij niet ééntje van.”
“Dat bedoel ik.”
Blij en opgelucht legde ik de telefoon op de haak.

Aal

Jarig

Ik was jarig…
Weer een jaar erbij.
Zo heel stilletjes weer een heel jaar voorbij.
Maar zo niet de verjaardag.
Niks stilletjes.
Het was een drukke dag vol visite, telefoontjes, taart, bloemen, worst, cadeaus, kaas, slingers, zingen, vrienden, hapjes, drinken, rennen, familie, chips, kinderen, koffie, snoep en uitgelaten kleinkinderen.
Onoverzichtelijk druk.
Een janboel.
En dat begint al in de dagen vooraf: het huis op orde, de boodschappen, het nadenken over wat iedereen drinkt…
Gelukkig is het maar één keer per jaar.
Al schijnt dat veel vaker.
Maar het is al weer 3 jaar geleden dat ik 60 werd.
In mijn hoofd lijkt dat slechts een jaar geleden.
Doch niet alles is, zoals ’t in mijn hoofd zit.
Ik voel me hooguit 45 en verwonder me als iemand me ouder dan 50 schat.
Maar op deze dag is er geen ontkomen aan.
Iedereen helpt mee om mij aan mijn leeftijd te herinneren.

Ik word bedolven onder de Kleinkindertekeningen.
Op één daarvan staat: 100.
“Wat is dat 100?” vraag ik.
“U bent toch 100…?”
“Nee, nog niet.”
En een beetje nieuwsgierig geworden, vraag ik: “Wat denk je dan hoeveel jaar Bompa is?”
“Ehm…”
Hij krabt aan z’n kinnetje en kijkt met een denkgezicht en zegt dan:
“Ehh… achttien?”
“Bijna goed,” lacht Brom.
“Je hebt een prachtige tekening gemaakt!” ga ik verder.
“En deze… ook al zo mooi!”

De kinderen staan in een rij hun beurt af te wachten.
Ik bekijk alles uitvoerig en moet puzzeltjes oplossen, zelfbedachte grapjes lezen, 63 verjaardagshoedjes tellen, naar mezelf zoeken op de tekening: met een bril groter dan mijn hoofd en met spillebenen die wonderbaarlijk recht blijven onder mijn énorme buik.
En de bijgeschreven teksten lezen:
-Gefeeliesietiert liefe mammie.
-Halo u bent 63 jaar!!!!!!!!!!
-U bent hééééél mooi en heel grapig
-U bent al op de helft van 126
-U kan mooije verhaalen vertelen
-Ik vint het heel leuk dat u ons altijt zoveel snoep geeft
-Ik hoop dat u nog niet dood gaat
-U denkt zekers dat een leeuw of zo de gefaarlijkste dier ter wereld is MAAR DAT IS NIET WAAR!!! de MUG is de gefaarlijkst
-Ik hoop dat u een vrolijke verjaardag heeft…

Dat werd het.
Een vrolijke boel.
Met z’n 26en eten.
Kinderen mogen allemaal opblijven.
Als ver na middernacht de laatsten zijn vertrokken, zegt Brom onder ’t opruimen: “Pffft, dat was me het dagje wel!”
Ik kan er alleen maar blij en dankbaar op terugkijken en zeg:
“Als je er niet zo oud van werd, zou ik wel elke maand jarig willen zijn!”

Aal.

First dates

Onze Sjors…
Van al onze kinderen is hij de enige die nog single door het leven gaat.
Wij vinden dat sneu.
Heel sneu.
Dat ‘wij’ zijn z’n zussen en ik.
Sjors zit er niet mee.
Maar wij wel.
Wij proberen op allerlei manieren hem aan de vrouw te brengen.
Goedschiks en minder goedschiks.
We lobbyen er wat af, zogezegd.

We organiseren – op soms slinkse wijze – toevallige ontmoetingen met (onze kijk op) uitermate geschikte kandidates. Maar ook zeker heel openlijk regelen we de leukste dates voor hem.
Zo leuk, dat we wel zouden mee willen.
Maar gewillig gaat hij dan alleen op pad, braaf gekleed in een stapeltje door ons klaar gelegde kledij.

Hij deed al eens mee aan een tv programma, waarin hij bij de allereerste ontmoeting al direkt met het meisje zou gaan trouwen.
Hij zat in het bestand van een eerder programma en was daarom uitgenodigd.
Dat ging ons echt te ver en dat vonden we dan ook helemaal niks.
Echt he-le-maal niks.
Sjors had dikke lol.
Ik kreeg een knoop in mijn maag die me wekenlang kwelde. Ze belden mij van het programma om me over te halen Sjors de gewenste steun en aanmoediging te geven mee te doen.
Hij was zo’n leuke kandidaat en ze hadden toch zo’n leuke vrouw voor hem gevonden.
Ik zei dat ik het huwelijk om de drommel geen spelletje vind, ook geen entertainment en al was het meisje nog zo leuk; ík hoefde niet te trouwen.
Ik kakelde maar door. Ik wilde ze daar in Hilversum wel even duidelijk laten horen dat wij hier nog normen en waarden hebben.
Na dat gesprek werd mijn knoop zo mogelijk nog vele malen groter; niet alleen de zorgen om het verrassingshuwelijk speelde me parten, maar ik kreeg er angstige visioenen bij, van de uitzending, waarbij mijn telefoongesprek zou worden uitgezonden en mijn woorden ondertiteld…
Het is gelukkig nooit zover gekomen.

Maar ook onze eigen inspanningen en speurtochten hebben tot dusver niks opgeleverd.
Helemaal niks.
Dat vinden wij heel raar.
Want hij is zó leuk. Echt héél leuk. En Sportief. En Gezellig. En Vol humor. En zoveel meer.
Het lijkt misschien wel of ik nu ook met hem aan het leuren ben, maar niets is minder waar; op dit moment staan onze jachten even op een heel welkom laag pitje.
Rust in de tent.
Het is vanzelfsprekend erg vermoeiend om steeds te moeten uitkijken naar bruikbaar huwmateriaal en het aanprijzen van hem gaat ons ook niet in de kouwe kleren zitten.
Natuurlijk zijn daar ook de minder leuke kanten van hem, die we uiteraard niet als eerste benoemen, maar die er op gezette tijden uitspringen als een duveltje uit een doosje.

Hij kan bijvoorbeeld erg nukkig zijn.
Maar wij (de zussen en ik) zien om ons heen heel veel nukkig getrouwde mannen.
Dat gaf ons steeds de moed door te gaan.

Maar waarom nu een pauze of een misschien zelfs een punt achter onze bemoeienissen?
Wel, morgen reist hij af naar Amsterdam om daar zijn date te ontmoeten die het tv programma First Dates voor hem heeft gevonden!
Gekker nog: ze gaan samen dineren in een restaurant.
Voor de camera.
Onze bezigheid jachtperikelen heeft nu plaatsgemaakt voor een snelcursus tafelmanieren.
Begint al met haar stoel aanschuiven Sjors, zeggen we.
En eten met mes en vork.
Niet prakken met het eten.
En dan heel veel ketchup erop spuiten, zoals je altijd doet.
Ook niet smakken.
En niet met volle mond praten.
Leuke vragen stellen.
Complimentjes geven.
En jij betaalt.
Niet splitten, hè?

Maar wij weten ook niet alles, dus googelen we even.
O ja, Sjors, niet met het bestek zwaaien.
En je servet op je schoot leggen.
Niet met de ellebogen op tafel.
En als je klaar bent met eten, het bestek op 10 voor half 4 leggen.
En zorg dat je niet als eerste je eten op hebt, maar ook niet als laatste…
Dat vindt Sjors een lastige.
Is ook lastig, zeggen wij.

Maar kun je ’t wel allemaal een beetje onthouden Sjors?
Ik ben bang dat ik het een beetje door elkaar ga halen, zegt hij.
Repeteer dan nog wat onderweg in de trein.
Want we willen ontspannen kijken, hè, denk daaraan.
En ons niet voor je schamen.
Probeer je teleurstelling ook te onderdrukken, hè, als het meisje niet zo leuk is als je had gehoopt.
Ik denk nu alleen nog maar aan eten, zegt Sjors.
En zeg haar dat ze heel leuke schoonzussen krijgt.
En een leuke schoonmoeder.
Want vooral die kunnen behoorlijk tegenvallen.
Maar zij krijgt er eentje die zich uit goeiigheid, en dat is belangrijk dat je dat erbij zegt, dat ‘goeiigheid’ zich altijd om jou bekommert.
En het beste met jou voorheeft.
En duidelijk normen en waarden heeft.
Jammerlijk dat dat destijds niet op de nationale tv is uitgezonden.
Ik ga je overhemd strijken.
En dan moeten we het loslaten.
Heel veel succes, lieverd.
We vinden het heel spannend!
Anders ik wel, zegt Sjors.

Aal.

Mamalie.nl

Vlaanderen

Amai!
Na ne lange tour zijn wij met onze ’n zwerfwagen in Belgie aan komen rijden…
We vind’n het nog steeds éél plezant zo met ons saam op te trekk’n en ook Belgie is keileuk!
Nu nog ne schoon plekje vinden voor onzen ’n overnachting.
Amai, zie daar, zegt Brom, ’n pracht van ’n plekske! En nog gratis ook!
Da vind’n wij vanzelf keigaaf.
Da gratis.
Want de euroos vliegen onzen ’n beurs uit, he?
Allee, wij besluit’n da de nacht door te gaan haal’n.
Wij hebben da allenig géén stroom, géén water en genen douche.
Hielemaal niks.
Da vin’k wal ’n kwestie, zeg ik.
Ge moet ’t groots zien, zegt Brom.
Ja, da past al te saam wal in ons avontuur he? Komt wal goed.
Zeker en vast. Maar ge kunt dus niks hier, he. Ook nie douchen nie he, zegt Brom.
Nee, da vat ik, zeg ik, maar ik vind ’t wal een éél schoon avontuur zo!
Ik ook, zegt Brom, zeker en vast.
De omtrek is ook heel schoon. Wij staan aan ’n éél diep meer en aan de buitenkant van ’n bos.
Kan niet schoner.
We stook’n ons eten op ’n vuurtje en zien malkander an.
Ik zie u graag, zegt Brom.
Ik u ook, zeg ik.

Maar ik moet wateren, zegt Brom. Da gaak da ergens in ’t bos doen.
Wat ’n romantiek toch, zit ik dromerig te denk’n…
(As ge nou éél kuis bent, is misschien de tijd gekoom’n om nu te stopp’n met lees’n)

Da komt opeens Brom aan geloop’n (das rennen in ’t vlaams) met ’n bevreesd en ’n verschrokken gezicht.
Met d’ ene hand heeft hij zijne broek van voren vast en ’n andere hand op zijne poep.
Brom! Brom! Watisser?
Ik verschiet ervan.
Zit er soms enen beer in ’t bos?
Niks! schreeuwt Brom.
Hij loopt (rent) de zwerfwagen binn’n, graait onzen ’n toilet onder ’t bed vandaan, neemt plaats en krijt dan luid: Te laat!
Ik ga ‘m na om te weet’n hoe ’t verhaal in elkaar steekt en dan zie ik zijn ‘uilerig en droef gezicht.
An de dunne, zegt Brom lijdzaam.
Ik aanschouw ‘t.
Er is wel wat in de pot geraakt, maar ook éél veel nie.
Zijne beide broeken hebb’n d’r flink van langs gekreeg’n.
Die éne kan zo de vuilbak in.
Die andere nie, die komt in onzen ’n vaatbak! want das ’n éél geliefde broek.
Hij heeft broeken die zelfs proper in de vuilbak kunn’n, maar dezen is graag gezien.
Hij kuist zijne vieze broek in de vaatbak met de vaatkwast en benut onzen laatsten overschot water.
Koffiewater.
Vanaamd geen koffie en ook morg’n veurmiddags nie.
Gene klavieren wassen.
Niks.
Wij moet’n hier ook nog slaap’n he Brom.
Ik kan er spijtig genoeg niks an verander’n, zegt hij.
Ik vind ’t niet properig en het riekt ook nog. En de vaat staat ons ook nog zo smerig an te kiek’n.

Er fietsen enkele Vlaamse jongelui voorbij en die brull’n en grijnz’n: Amai! Echt iets veur die Hollanders op zonne gratis plekske!
Ik zie Brom an en zeg: dat is ook zo. ’t Is wel veur niks he dat wij hier stoan.
Ik had er éél wat geld veur over um onder ’n sproeier te wezen, zegt Brom.
Dat maak’n wij morgen aanstonds in orde, zeg ik, wij steek’n subiet bij ’t ochtendgloor’n de grens over, noar ’n kampeerplaatse met alles dr’op en dr’an, wij kuisen de hele boel en wij smakk’n alle vuil, de vaatbak ’n de kwast in de vuilbak!
’n Schoon plan, vindt Brom.
Maar we zull’n alles nieuw moet’n koop’n. Da kost ons éél wat.
Krek, zegt Brom. Das mooi nie veur niks.
Nee, en ’t avontuur en romantiek is ons aardig benomen, maar amai, allee, ik heb noe wel miene eigene Manneke Poep!

Aal.

Ferien!

Wir sind in Deutschland nehrgestriegen. Sofort von Hause sind Wir über die Grenze passiert, weil wir auch gerne gegen unsere Freunde, Familien, Nachbarn und Kollegaas kunnten erzählen dass Wir im Draussenland gewesen waren.

Und wass ist es doch Wunderschön dort! Wir genüssen mit folle Zeugen. Wir sind hier jetzt schon eine ganse Woche. Es hat uns noch nie bedrüft, nein, es gefählt uns Ganz Gut.

Die Sprache ist ein Thema, darum schreibe ich auf Deutsch, zu üben. Ich versuche selberes auf Deutsch nach zu denken. Geht immer besser.

Wie Ich schön habe erzählt, waren Wir mit unsere kleine WohnMobil er aus auf getrochen. Es ist Wichtig klein, selbst so klein dass wie schon viele Male eines Punkt des Vergnügen wahren. Kommen wir einmal an einer WohnMobilplatze und stallen unser Mobil zwischen den anderen, haben wir plötskläpsch gar keine Sonneanblick mehr und er fälht nach dem anderen Totäles im Nichtes.

Die Deutsche Leute stüssen einander an, hinweisen, und fängen an zu gneifeln. Haha, lächeln Sie, in Holland ist auch alles klein! Wie Toll! Dass ist ein wenig zuviel gegen das wehe Bein von Bröm. Er wollte etwas da zu hinbringen, aber Ich sagte Ihm nicht wieder eine Krieg zu erlöschen. Seiner Deutsch ist auch ganz nicht ausreichend, und wenn Er aus entlich sagte ‘Unser Täte binne gröss’ fangen die Leute an noch mehr zu lächeln.

Es ist, sollte Ich auch ehrlichheitshälbe sagen, ein schmerzlischer kömischer Gesichte unser WohnMobil zwischen den Grösse Deutsche Bombastische Schranke zu sehen. Aber dort über lächeln geht auch Mir zu weit.

Da fällt doch sicher ganz nichts zu gneifeln oder lächeln wenn Mann seht wie Wir uns behilfen in das Mobil. Wir künnten keine Seite auf. Das Bett ist noch keine halbe Metere hinten den Vörstühle. Da zwischen ist auch noch unsere Küche. Und im Nächte auch unsere Toilette. (Den steht übertags unten das Bette)

Nätürlich müss Ich jeden Nächte pinkeln. Die ersten Mahle dächte Ich: Wie mach Ich dass? Es währe weit weg von Einfächtigkeit. Ich kräbbeln mit meinem strammen Köpfer vorsichtig nach dem hinten des Bettes, weil Ich Bröm nicht stören wollte in Seinen Schlafe. Dort angekommen habe Ich gut gefühlt ob es tätsachlich die Toilette war, weil ja auch die Küche in die Nähe ist. Dann wollte Ich Platz nehmen und gehe mit meine Bille nach unten. Nach unten, nach unten und noch Mehr nach Unten. Wo ist doch die Potte? Dann… mit einer Schmäck bumse Ich auf die Toilette. Meine Beine hüpfen in die Höhe und Ich schläckte eines Gille.

Da wäre Bröm. “Was machtst Du doch?” fragte Er gestört.

“Entschüldigung,” sagte Ich, “Ich habe ’s nicht gewüsst das die Potte so schlimm gemein läge auf den Boden war.”

Bröm suchtete.

“Aber glucklich dass Du Wach bist, Ich brauche Papier.”

“Dass meinst Du doch sicher nicht! Du darft nur zu pinkeln!”

“Trotzdem.”

“Wo ist das Papier?”

“Unteren Kopf-Ende unseres Bett.”

“Dann haben Wir eine grössartige Schwierigkeit. Ich kann jetzt nicht dabei kommen!”

“Doch. Wenn du draussen geht, kannst Du durch die Hintenkläpfe einfach das Papier greifen.”

“Einfach? Einfach!” brüllte Bröm, “Dass méinst Du nicht! Weisst Du wohl wieviel Arbeit dass gibt?! Nein, natürlich nicht! Du hasst keine Ahnung! Ich sollte aus Bett müssen, über dich hin stäfeln, nach draussen gehen, wo es regnete, verstehst Du? Es regnete! Und dann komt ja noch das Wichtigste: den Fahrräten von uns hängen an einem Fahrradträger geslossen hinten das Mobil! Ganz und völlig für die Hintenkläpfe! Wie soll Ich dass machen?!”

“Du kannst alles machen, meine Liebe! Darum habe Ich dich auch gewildet. Und denke daran dass Ich es hier auch nicht einfach habe.”

“Keine Zeit für Spassmacherei! Du hasst immer solcher Dummköpfereie. So blöd!”

“Ich gefuhlte mich auch so blöde…”

“Du! Es willte Hochzeit werden dass Du deine Kopf mahl gebrauchtete!”

Den Streit wäre nie von de Luft. Die WohnMobil schein nóch mal kleiner dan Er war.

Nachdem haben Wir immer das Papier ins Küche geleged.

Und Wir haben die Geschichte hinten uns gelassen. Weil Wir da hinten gekommen sind, dass Mann in eines kleine WohnMobil weiter kommt wenn Mann einander liebt.
So fahren Wir glücklich weiterhin. Wie im Märchen.

Aber unsere Ferien dauert nur noch 10 Tagen…

Aal.

Waarheen…

Nog even een blog voor we de grote wijde wereld intrekken.
Morgen gaan we.
Met ons campertje.
Brom en ik.
Het doel is nog onbekend, maar we kunnen er alle kanten mee op.
Brom wil het mooie weer achterna. Dan zouden we zoals ’t nu lijkt gewoon kunnen thuisblijven.
Maar, zegt Brom: morgen wordt het anders.
Morgen wordt denk ik alles anders.

Want we gaan van onze riante grote woning, drie wekenlang met elkaar in een autootje bivakkeren. Na jaren van kamperen, en ook eigenlijk altijd in Limburg, hebben we nu beide caravans verkocht.
Ja, we hadden er twee.
Dat klinkt decadent, maar het stelde geen moer voor.
Uit nood hadden we die tweede in één dag ergens zeer goedkoop opgescharreld, omdat ik beide dochters had beloofd dat ze onze caravan konden lenen en toen verschenen ze tot mijn grote schrik en ontsteltenis op dezelfde dag om de caravan te komen halen.
Brom vond dat een overduidelijke organisatorische fout ‘onzerzijds’, zodat we ook voor de oplossing moesten zorgen.
Die volledig organisatorische absence (op allerlei terrein) van mij heeft ons door de jaren heen een aardig duitje gekost.

Toen kwam er dus een camper.
Er moest uiteraard veel meer geld bij dan onze caravans opbrachten, maar het is dan ook een prachtig ding.
Wel wat aan de kleine kant.
Zo’n bestelwagentje.
Voorin zitten en achterin liggen.
Daartussen een gaspitje, ééntje maar, (tot mijn grote vreugde) er kan dus amper gekookt. Daar is ook geen ruimte voor.
Het dak kan gelukkig een stukje omhoog zodat we kunnen staan. Niet lopen, gewoon alleen maar staan. Wel met ons tweeën. Dat wel. Stijf naast elkaar.

Dat is natuurlijk geen probleem, maar een uitdaging.
Een behoorlijke.
En dat drie weken lang.
Brom ziet het gelukkig helemaal zitten.
Hij loopt fluitend de boel te regelen en te pakken.
Maar je kunt vanzelf niet eindeloos blijven pakken in zo’n autootje.

Er moet dus gewikt en gewogen wat we zullen meenemen.

“Kan echt niet veel hoor,” zegt Brom, als hij mij ziet staan met 2 volgepakte weekendtassen. “Daar moet je één van maken.”

De uitdaging begint al vòòr vertrek.

Daar gaat mijn beauty case, mijn hakkeschoenen, mijn jurk voor de mooi.

Dan past ’t nog niet. “Je moet gewoon van alles één meenemen,” zegt Brom streng. “Eén dikke trui, één dunne, één lange broek en één korte.”

“Dat is toch niks en ik wil ook wel es wat schoons aan!” werp ik tegen.

“Niet zo nauw kijken en moeilijk doen,” vindt Brom.

“Bah,” zeg ik.

“Je denkt toch niet dat ze onderweg aan je gaan ruiken? En daarbij, we hebben ook geen douche en toilet bij ons hè?”

“Bah”, zeg ik maar weer.

“Je moet ’t ruim zien, Aal, en de kans dat we bekenden tegenkomen is bijna nihil,” lacht Brom.

Het is eigenlijk nog veel erger dan kamperen, besef ik. Veel erger.

Brom wil de zon achterna. Ik hoop alleen maar dat we ’t klimaat binnenscampers zonnig en zonder depressies kunnen houden. Jullie horen het. Ik zal er een eerlijk verslag van doen.

Aal